Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

104 —

kost en inwoning' betaalde door hulp in de huishouding en daarnaast haar studie bijhield.

Zij luid aan dien eisch gedacht ieder uur van den dag en des nachts was die soms als een nachtmerrie over haar gekomen.

Hoe wonderlijk was de berinnering aan dat leven in 't pension, met al die verschillende menschen, die spraken over dingen ver boven haar begrip, die disputeerden en intrigeerden, elkaar het hof maakten en allerlei zaden strooiden in haar jonge ziel, die zouden ontkiemen vóór den tijd.

En haar leven op school, waar ze als een vreemde zat tusschen een troepje Kopenhaagsche meisjes, allen ouder dan zij. Ieder van haar had een liefdeshistorie, sprak over dingen die ze niet begreep met toespelingen, die haar niet verklaard werden en over haar heen gleden; die meisjes, die den gek staken met haai' dialekt, met haar jurken, door haar moeder genaaid, met haar nauwgezetheid en zenuwachtigen angst, die meisjes, die den eenvoud van het kind verloren hadden en de tact van een vrouw nog niet bezaten. Zij herinnerde zich haar overwinningen over haar als zij do knapste was en geprezen werd in de klas. Maar ze voelde ook nog den sterken afkeer van de donkere schoolkamer, die op de geel geschilderde achterkant van een huis uitzag en altijd naar boterhammenpapier rook. En dan 't geluid van de schoolbel! Goddank, dat was voorbij! Met hetzelfde onaangename gevoel dacht ze aan de donkere eetkamer in het pension, met het hoekvenster, waar ze de sombere najaarsavonden doorbracht als de etenslucht nog in de kamer hing en ze van haar toekomst droomde of peinsde over het heden: — hoe ver ze van huis was en hoe daar alle hoop op haar gebouwd was.

Ze had niet veel merkwaardigs beleefd. Haar ziel was niet gerijpt door groote gebeurtenissen; maar ze had aan haar moeders sterfbed gestaan, thuis waar haar de kamers zoo wonderlijk klein en laag toeschenen, de meubels zoo droevig versleten; en daar had ze beloofd de zorg voor den armen bevenden dronkaard op zich te nemen, die daar aan 't voeteneind stond, en om vergeving vroeg, zonder te kunnen beloven zich beter te gedragen.

En dan dacht ze aan de twee jaar, die toen volgden in 't kleine stadje, waar 't gras tusschen de hobbelige straatsteenen groeide, waar alles zoo leeg en geest' doodend was; — twee jaar van hard werken om zich zelf en haar hulpeloozen vader te onderhouden. En toch had ze onder dat alles gevoeld, dat het een worstelen was om het doel te bereiken, een frisch en jeugdig vooruitstreven, met geloof aan haar roeping.

Zij had immers het heldere hoofd van haar vader en de groote liefde en geestkracht van haar moeder.

Eén zonnige herinnering had ze, waar ze met dankbaarheid, aan terug dacht.

Dat was haar ontmoeting' met Ell'mor Kyng. Die vrijdenkende jonge republikeinsche had zich harer aangetrokken en grooten invloed op haar geestesleven gehad. Daar had ze haar eerste novelle voorgelezen. Ellinor had geprezen en gecritiseerd en toch het geheel onmogelijk genoemd, omdat ze zelf nooit verliefd geweest was.

Verliefd geweest! Ze had er nooit tijd voor gehad. En nu — de laatste dagen! — de dood van baaivader, de vrijheid en de eenzaamheid, de betrekking in Halköbing, die ze door haar goede informaties kreeg, de hoop over een paar jaar naar Ellinor te kunnen gaan, als die trouwde en in de hoofdstad kwam wonen. Eerst nog een paar jaar werken, en dan de zonnige toekomst in.

En zoo kwam dan Elizabeth Due op dien stormachtigen Novembermorgen, in den rouw, wat verlegen en zwak uitziende, in eenvoudige kleeren, niet in 't oog vallend; — maar geen onbeduidend jong meisje.

Halköbing was een stokstijf conservatief, bureaucratisch stadje, op een eilandje liggend. Zelfgenoegzaam, rijk en tevreden, beleed men er het bekende geloofsartikel: »Vrees God, eer den Koning en betaal getrouw belasting". En de edelste wedstrijd van de burgers bestond in het wedijveren in weelde, wat aanleiding gaf tot niet gering prachtvertoon.

De bewoners van het eiland meenden dat hun geboortegrond de eenige plaats op aarde was, waar het goed was te wonen en met uitzondering van een onwillig erkennen van het feit, dat de handel misschien wat ten achter was bij dien van Engeland, kon men een Halköbinger niet uit het hoofd praten, dat zijn stadje het middelpunt der aarde was. De jongelui namen er de zaken van hun vader over, trouwden met meisjes van het eiland, sloten zich bij elkaar aan en aten en dronken geweldig op de groote diners.

De trots van 't plaatsje was zijn rijkste grondeigenaar, Graaf Mogens Höegh ; maar daar hij bijna nooit thuis was, werd zijn plaats ingenomen door den eigenaar van 't landgoed Viffertsholm.

Nu werd. dit bewoond door een Douairière v. Platen, die een twintigjarigen zoon had, Hendrik van Platen.

Dit waren toch niet de eenige notabelen van het eiland. De burgemeester was een kamerheer en ridder van de Dannebrogsorde, en ook de predikant was gedecoreerd. Hij was zeer liberaal, hield veel van een partij hombre en een fijn dinertje en was zeer bemind in de stad. Maar hij solliciteerde naar een andere gemeente. Deze was hem niet groot genoeg.

Een andere autoriteit in 't stadje was Johan Lavby, redakteur van de Halköbinger Courant. In zijn jeugd

Sluiten