Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— 112 —

Zij lette niet op het lichte, scherpe geluid van hoefslagen achter zich, noch op den ruiter en zijn paard voor zij haar dicht voorbijkwamen. Toen zag zij, dat het graaf Höegh was. Maar zij deed haar best dat niet op te merken; instinktmafig trachtte zij een van die oogenblikken vast te houden, die 't leven zoo zelden biedt, en alleen dan geven kan, zoolang de hartstocht nog niet in een of andren vorm de ziel heeft, bereikt en in beroering gebracht.

Maar een nog sterker indruk dwong haar te ontwaken uit dit rustig in zich zelf verdiept zijn.

Graaf Höegh had zijn paard ingehouden, was uit den zadel gesprongen en bleef een paar stappen van haar af staan met de teugels in de eene hand en de andere opgeheven om te groeten. Zij had vroeger wel in duitsche novellen gelezen, hoe jonge edellieden van 't paard springen in 't eenzame woud en een gesprek voeren met een beeldschoon dorpsmeisje, dat bessen plukt in een sierlijk korfje; maar hier op den grintweg, op een eilandje met de meest prozaïsche bevolking, pasten de bejaarde edelman en de kleine gouvernante niet in den stijl.

»Ik zag U hier loopen en het leven genieten, ik kreeg plotseling' lust hetzelfde te probeeren, hoewel ik weet, dat het onmogelijk is. U kunt me toch ten minste toestaan het te beproeven."

Zij zag in, dat het 't verstandigste was de zaak eenvoudig op te nemen. Door verlegenheid of preutschheid zou de toestand ondragelijk worden. En behalve dat, hij had evenveel recht op den weg als zij. En zijn inval was haar ook niet onaangenaam. Waarom zou men zich niet over de conventie heenzetten en zijn neiging volgen.

»Hoe weet U, dat ik het leven genoot?"

»Dat kon ik wel aan U zien. Zóó loopt, men niet alleen om beweging te nemen of naar een bepaalde plaats te komen. Zóó langzaam loopt men als men in zich zelf verdiept de volmaaktste rust geniet. Is dat niet waar?"

Ze antwoordde ontwijkend: »Kent U dat, genot?"

»Ik heb het gekend. Vijfentwintig jaar geleden, lang voor IJ geboren waart. Ja, als jongen van 15 jaar kon ik droomen, gelukkig zijn en genieten.... slis sont, passés, ces jours de fêtel"

»Is dan alle geluk voorbij?"

»Dat zal ik niet zeggen. Er blijft nog de bekoringvan het oogenblik over. Dat kan het leven altijd nog geven."

»Dat is een treurige filosofie 1"

«Filosofie?" Zijn blik was schelmsch en toch spottend. »Tot welke school heb ik de eer te behooren? Laten we vaststellen, dat het een grieksche is. B.v. der Kyrenaïsche."

»Die ken ik niet eens," antwoordde zij.

»Dat is jammer, want die was wel verstandig, maar wacht even."

Een boerenmeisje werkte zich met moeite den heuvel op en ging hun voorbij, 't Was een sterke gestalte, even lang als de meeste mannen. Haar goed gebouwd lichaam zat als gegoten in haar grove kleeding, haar rood. baar sprong onder 't doekje uit, dat, ze om het hoofd gebonden had; oogen, wangen en tanden schitterden van gezondheid. Haar bijna belachelijk groote, roode handen droegen met gemak twee zeer zware manden.

Toen ze voorbij was, wendde graaf Höegh zich om en zag haar na.

»Kondt U nu zien, dat dit meisje mooi was?" »Ja, natuurlijk."

»Zeg mij dan eens, waar die schoonheid in lag. Vrouwen en mannen oordeelen in dat. opzicht zoo verschillend."

»Voor mij lag die in haar kracht en gezondheid. Zij weet niet wat zenuwachtigheid of levensmoeheid is."

»Ja, dat dacht ik wel. Een man zou zeggen, dat haar rood. haar zoo prachtig was en haar tanden zoo wit, en dat, ze kuiltjes in den wang had. Vrouwen zien zelden de zuiver uiterlijke schoonheid."

»Ja, die zie ik wel," antwoordde ze eenigzins knorrig. »Maar de oppervlakkige aesthetische beschouwingder dingen beeft niets met de artistieke te maken."

»Cömment?" vroeg hij, glimlachende over haar warme verdediging. sLaat mij dan eens hooren wat de artistieke opvatting is?"

»Dat is," antwoordde ze stotterend en verlegen, »de volmaakte,.... de menschelijke opvatting der dingen, — niet in hun vorm, maar in. . . ."

»In hun eigenlijk wezen, — hun kern, niet waar?"

»Ja juist."

»Jawel, ik haat die conventioneele zinnetjes. Nu ja, — natuurlijk is dit niet conventioneel voor U, — dat hoop ik ten minste; maar wel voor mij. Probeer eens dit alles van dichtebij te onderzoeken, dan zult U zien wat kunst eigenlijk is. Muziek is een verzameling mooie tonen en geluiden; schilderkunst, een vereeniging van lijnen en kleuren; verzen een harmonische verzameling van woorden. Maar dat »Je ne sais quoi," wat U er in zult vinden, is niet anders dan een stemming in IJ zelf. Voor mij, die die stemming niet voel, is alles iets oppervlakkigs en uiterlijks, dat den bedoelden indruk niet maakt. Het bekoort me — alles, wat mooi is bekoort me, maar het grijpt ine niet aan. Eén uitzondering- is er toch: Io van Gorreggio. Hebt. U die gezien? Die heeft op mij een sterken indruk gemaakt."

»Dat komt, misschien, door dat Correggio de vrouw, die hij als Io schilderde, heeft liefgehad."

Sluiten