Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— 143 —

«Gelooft U dat1?" Hij zag haai' een oogenblik doordringend aan. — »'t Is toch conventie. Ik ken dat ook. Neen, ziet II, als kunst dat diepe innerlijke was, wat U bedoelt, zou ze in het geheel niet bestaan. Wie zou zooiets willen profaneeren, door het aan het publiek te geven?"

«Ik geloof ook niet, dat het van het begin af de bedoeling van den kunstenaar is dat te doen. Eerst geniet hij zelf en de indruk is hem te heilig om dien te publiceeren."

«Kijk eens hier! Het schijnt dat U hierover nagedacht hebt. Maar hoe komt het dan, dat hij het ten slotte toch doet?"

«Dat is een gelukkige — of ongelukkige eigenschap in zijn natuur. Hij kan den indruk niet voor zich zelf houden, hij moet die meêdeelen."

«Een wonderlijke natuur. Als een kunstwerk een stuk zieleleven is zou ik nog kunnen begrijpen dat men het voor zichzelf schiep, maar het publiek maken? — Daartoe wordt men gedreven door beweegredenen, die onvereenigbaar zijn met die, waaruit naar uw opvatting het kunstwerk ontstond: door eerzucht en ijdelheid."

«Neen, zóó is het niet," barstte zij heftig uit. n>Aan anderen meê te deelen wat men voelt, komt als noodzakelijk gevolg. Het is alsof de indruk eerst daardoor helderheid en waarde krijgt, door het oordeel en de instemming van anderen."

«Dat is immers een paradox. Wie zal toch een stuk zieleven de revue laten passeeren voor die hoop onbeduidende wezens, die het publiek uitmaken, om het door hen te laten schatten. Een zonderlinge neiging. Wat fantaisie, het vermogen iets juist op te vatten en weer te geven, oefening, eerzucht, concurrentie, protectie — daar hebt ge een kunstenaar."

«Neen, dat is een kunstemaker. De ware kunstenaar is als de paarloester, die den parel afscheidt. Ik bedoel...."

»De ware kunstenaar?" Gebruikt U nog in allen ernst zulke uitdrukkingen? — Maar wat dien paarloester betreft — ik ben blij, dat ik zoo'n dier niet ben. Ik zou het beste uit mijzelf niet willen afscheiden. Ik hoor tot de Kyrenaïsche school. — O ja, dat is waar, die kent U niet. Dat is de verstandigste van alle scholen. Die leert: men moet zichzelf liefhebben, niets geven en zich tegenover al hel onaangename onverschillig houden. — Dat, is de knoop."

»Die als de Gordiaansche wordt doorgehakt," antwoordde ze glimlachend, »maar men mag hem immers ook wel langzaam losmaken. Niet alle menschen zijn Alexanders."

»Of Aristippos. Maar wat mij betreft gun ik U dat genoegen. Alleen geloof ik er niet aan."

«Maar ik wel," zei ze met een fiere beweging' van

Bijlage van «Woord en Beeld" 1899. Aft. 12.

haar hoofd. »Ik geloof aan het geluk, hoe ver 't ook schijnt."

«Waarom doet U dat? Zeg mij dat toch eens," barstte hij uit. «Waarom in de wereld gelooft IJ aan het geluk?" Zijn vraag klonk eerlijk gemeend en zij was jong, warm en geloovig.

«Omdat het in den aard. van het goede ligt dat het overwinnen moet, omdat het goede de wereld regeert, zelfs al schijnt het soms niet zoo."

«Fraai — als theorie! Maar zoo als Hamlet zegt,: words, words, words! Ik zie dat goede niet, waaraan II me wilt laten gelooven. — Als ik met alle geweld iets gelooven moet, dan geloof ik liever aan wonderen, dat is gemakkelijker. Zal ik U eens wat zeggen? Op die manier is geluk enkel verbeelding. — U is gelukkig, omdat IJ gelooft dat IJ het is."

«Neen, er is positief geluk!"

«Waar dan?"

«In arbeid — en dan in...." Zij aarzelde, stotterde en zweeg.

«En? In wat?"

»In liefhebben," antwoordde zij kalm.

«Allemaal theorie! Arbeid — dat is een bron van inkomsten. Liefhebbén? — Men heeft alleen zich zelf lief. Men beweert, een ander lief te hebben als men in een roes is. Als men ontwaakt, ziet men in, dat men zich zelf liefhad."

«Dat wil ik niet gelooven."

«Maar U wilt, dat ik U gelooven zal. Maar 't komt er niet op aan ! — Wie moet ik liefhebben, voor wie moet ik werken? Er zijn menschen, die overcompleet zijn in deze wereld, juffrouw Due — te laat geborenen, die tot niets deugen, niet voor burger, niet voor echtgenoot, niet voor vader. Hoe komt dat? Door hun geboorte, hun opvoeding, hun aard?" —

«Door hun zwakheid, geloof ik," antwoordde ze — bijna bang.

»Dat is waar, misschien; — maar kunnen zij het helpen, dat ze tot een ras belmoren, dat zijn levenskracht verbruikt heeft?"

«Niemand is overcompleet."

«Ook hij niet," vroeg hij heftig, «die zelfs niets voor zijn zoon wezen mag?" Maar alsof hij vreesde te ver gegaan te zijn, veranderde hij haastig van toon : »U is jong; men begint het leven met illusies. Eens zult U zien, dat alles dwaasheid is, alles! Ik weet het. — Leest U Byron ?"

»Ja."

«Dat is verstandig. Hoe komt U aan zijn'werken?" «Ik heb ze in eigendom."

«Zoo! — O ja, dat is waar: is er ook iets wat II graag zoudt willen lezen, maar niet kunt krijgen?" «O ja, van allerlei." «Bij voorbeeld?"

Sluiten