Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

- 121 —

wist waarover 't. gesprek zou loopen en ze voelde zich schuldig zonder verzachtende omstandigheid. Ieder woord, wat hierover gesproken zou worden, zou haar pijn doen als zout of peper in een open wond.

»Luister nu eens, kindlief," begon mevrouw Jespersen, en haar vriendelijke woorden maakten op Elisabeth ongeveer den indruk als 't zien van de instrumenten voor een operatie op den patiënt. »Als je nu misschien wat boos wordt over wat ik je nu zeggen zal, dan moet ik me maar troosten met de gedachte, dat ik het om je bestwil doe."

Elisabeth vestigde haar blik op een klein puistje op mevrouw Jespersens voorhoofd en haar oogen bleven daar onder 't geheele gesprek als door tooverij aan gekluisterd.

))Toen we je in ons huis opnamen, was het onze plicht — onze plicht als christen — ten minste zoo vat ik het op, je te behandelen alsof je onze eigen dochter waart. Hoe denk je wel dat ik mij voelde, toen ik zag, dat je op zulk een onverantwoordelijke manier je goeden naam op 't spel te zette? Misschien geef je er niet om of de menschen zich over je ergeren en kwaad van je spreken? Dat schijnt ten minste zoo. Misschien kun je ook gemakkelijk een andere betrekking krijgen, als wij je verzoeken heen Ie gaan. Maar er is een andere kwestie. Denk je er heelemaal niet aan, dat graaf Höegh getrouwd is? Hij is getrouwd met een brave, in alle opzichten uitstekende vrouw. Hoe meen je wel, dat zij over je denken zal? En de graaf zelf? Hij is geen jong student, die voor 't eerst verliefd wordt. We weten allen, dat hij geen voorbeeld van deugd is. Wees er maar zeker van, dat hij in zijn hart een jonge vrouw veracht, die zoo licht te verleiden is. Natuurlijk vindt een man het aardig, als hij iemand vindt die zóó voorkomend is; maar weet je, wat ze toch denken van een jong meisje, dat zich zoo gedraagt? Wees er maar zeker van, dat het niet veel goeds is. Pas op, al is 't maar alleen uit voorzichtigheid, want ik verzeker het je, eens zul je bitter berouw hebben als graaf Höegh je zonder de minste gewetenswroeging aan spot en schande prijs geeft. Als hij genoeg van je heeft en je lastig vindt, zegt hij : »Kan ik het helpen? Zij heeft het zelf zoo gewild.

Als je mijn dochter was, zou ik jc 't zelfde zeggen, maar je hoeft natuurlijk mijn raad niet te volgen. Ik smeek je alleen: denk er over, eer het te laat is."

Elisabeth zat in haar kamer als versteend, gebogen van schaamte. Ieder woord, wat mevrouw Jespersen gezegd had, boorde zich als een angel in haar ziel, verscheurde die als met een scherpen weerhaak. Want het was immers alles waar.

»Ik heb mijn liefde verraden voor een man dien ik wist, dat getrouwd was, — die mij dus moet

Bijlage van «Woord en Beeld" 1899. Afl. 12.

verachten. Kon ik het helpen, dat ik hem zoo onbeschrijflijk liefheb? Ik heb er immers nooit een helderen indruk van gehad dat hij getrouwd was. Ik zag zijn vrouw nooit; hij spreekt nooit over haar, hij heeft haar niet lief — en zij heeft hem niet, lief. Maar toch! — Wat heb ik. gezegd? Hoe ver ben ik gegaan? Hoe ver heb ik me bloot gegeven?"

Zij doorleefde in gedachten alle ontmoetingen met hem. Dien keer had ze toch niets verraden en dien keer ook niet. Hij was haar genaderd, hij had den vertrouwelijken toon aangeslagen. Was het niet bekrompen hun gesprekken als een misdaad te beschouwen ?

Ja, maar dat was het ook niet. De eigenlijke aanklacht luidde: zij had een getrouwd man lief. Die liefde was misdadig. En ze riep zich zelf ter verantwoording, veroordeelde zich zelf, wees alle verontschuldigingen af en dwong zich de zaak van de donkerste zijde te beschouwen. En zoo ging ze uren lang voort zich zelf te martelen, en de angel deed niet minder pijn, al boorde ze die ook honderde malen op nieuw in haar hart.

Zij moest een besluit nemen. Er moest gered worden wat nog te redden was.

»Ik zweer, dat ik dit alles wil onderdrukken en vergeten, dat ik voor mijn toekomst wil werken, dat, ik dit uit mijn hart zal rukken, hem niet meer zien of spreken, — dat hij mij als een vreemde zal zijn." —

En vier lange leege doodstille dagen volgden, waarin zij de afmatting na de smart voor vrede aanzag. Met een vreemd gevoel — als zag ze zich zelf van uit de verte, — meende ze genezen te zijn; maar ze voelde zich alsof de springveer van haar leven gebroken was.

En toen ze op een morgen van haar lessen thuiskwam, zat graaf Höegh in de huiskamer. Zij kwam weer tot zich zelf, als na een lange bewusteloosheid, en ze zag, dal, hij leefde in haar hart, — even levend, als hij daar voor haar stond.

Zij reikte hem niet de hand zooals gewoonlijk, maar boog stijf.

Graaf Höegh was gekomen om te hooren hoe het feest op Viffertsholm de familie bekomen was.

»Hoe maakt juffrouw Due het?"

»0 dank u, heel goed."

Tweemaal ontmoetten haar oogen zijn verwonderden blik; maar zij wendde het hoofd af. Hij sprak met haar, maar zij antwoordde zoo kort mogelijk. Toen hij heenging reikte hij baar de hand niet. Zij ergerde zich over zich zelf, omdat zij zich had laten dwingen tot zulk een gedrag. Wat moest hij wel van haar denken? Maakte dit plotseling koel-zijn de zaak niet nog erger? Kon hij 't niet voor berekenende coqiielterie houden? Wat moest hij toch wel denken,

Sluiten