Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— 128 —

king zou kunnen nagaan. Zij balde de vuisten en wenschte vurig den gevaarlijken ruiter een moordenden kogel te kunnen nazenden.

Intusschen reed de jonge von Platen langs den met groene hagen afgezetten weg, die naar Höeghholt leidde. Op de maat van de hoefslagen van zijn paard sprak hij de verontwaardigde woorden uit, die hij voornemens was den graaf voor de voeten te werpen.

En toen hij van het paard sprong op de kalme binnenplaats van het landgoed, waar de groote kastanjes de zonnestralen buitensloten en er de lucht koel hielden, stamelde hij van ontroering, toen bij den bediende, die kwam aanloopen, vroeg:

sis de graaf thuis?"

»Ja, mijnheer. Zal ik U even aandienen?"

«Neen, waarachtig niet," snauwde hij en vloog den trap op, naar den gang, waar graaf Höegh's studeerkamer was. Hij klopte luid op de deur en daar er niet geantwoord werd, trad hij binnen.

De tocht deed. de gele zijden gordijnen voor het open venster opwaaien en blies hem bloemengeur in 't gezicht. De geheele kamer was vol van een warmen, vochtigen rozengeur, die opsteeg uit de vazen op alle tafels en vensterbanken. Graaf Höegh zat voor zijn schrijftafel met den rug naar de deur, en aan zijn voeten lag zijn groote hond, met de oogen strak op zijn heer gericht. Beiden moesten zeer in hun gedachten verdiept zijn, want zij verwaardigden den binnentredende zelfs geen blik. Henrik kreeg lust weer heen te gaan; die rust viel als een ijskoude hand op zijn opgewondenheid; dat duurde echter maar een oogenblik; toen irriteerde die zorgelooze kalmte hem. Wat voor recht had die man daar zoo vredig te zitten? Hij kwam een paar stappen dichterbij, de hond stond zacht brommend op. Graaf Höegh zag om en sprong op toen hij zijn gast zag.

sis u daar? Excuseer mijn onattentie. U hebt hard gereden. — Ik wil niet hopen, dat u slechte tijding brengt."

Zij stonden tegenover elkaar. Henrik von Platen was bijna even groot als graaf Höegh; maar toch voelde hij zich als een schooljongen, die tegenover zijn onderwijzer stond. De oogen, die op hem rustten, hadden bij al hun zachtheid, iets onaangenaams en die indolente gestalte lokte niet uit tot heftig optreden. Henrik von Platen had al zijn jongen trots noodig om met een onvaste stem te zeggen:

»Pardon, ik kom niet als uw vriend. Ik ben hier om over een zeer ernstige — en onaangename zaak te spreken."

Een lichte verandering in de uitdrukking van 't gezicht van den graaf, — iets meer belangstelling, maar geen zweem van verrassing.

»Vriend.... ? U hebt volkomen gelijk. Niemand is een anders vriend. Een onaangename zaak? Dat klinkt wat vaag. Laat me hooren wat U te zeggen hebt. — Maar wilt IJ niet eerst een glas wijn drinken? — Rhijnwijn of Bordeaux? — U is zoo warm."

Maar die toespeling op zijn gloeiend gezicht maakte von Platen woedend. Dat hinderde hem al genoeg, want hij voelde wel hoe ongunstig dat afstak bij de voorname bleekheid van den graaf. Hij bedankte voor den wijn en bleef met een verontwaardigd, hoofdschudden staan, toen graaf Höegh hem met een handbeweging uitnoodigde plaats te nemen. Graaf Höegh trok de wenkbrauwen op en zette zich in een leuningstoel, zag zijn gast aan en verzocht hem de zaak te verklaren.

't Was moeilijk onder die omstandigheden te beginnen, maar hij begon toch en goot een verwarden stroom van toorn, droefheid, gekrenkten trots, verlegenheid, vrees en gekwetste eigenliefde, verwijten en beleedigingen uit over het hoofd van den graaf.

Deze vertrok geen spier van zijn gezicht onder die lange toespraak. Hij dacht er aan hoe zijn zoon nu zoowat even oud was als Henrik von Platen en hoe grappig hij in zulk een scène zou uitkomen.

Eindelijk zweeg Henrik vermoeid, maar nog altijd even verbitterd. Er volgde een oogenblik zwijgen. Toen zei de graaf.

sDaar we de ernstige zaken hiermee als afgeloopen kunnen beschouwen, zouden we nu misschien een glas wijn kunnen drinken."

Henrik balde de vuisten, terwijl hij met heesche stem antwoordde.

»'t Is laf en ellendig, en ik zeg U dat in uw gezicht om te zien of IJ dat ook uit uw evenwicht kan brengen, nu de schaamte over uw laaghartig' gedrag dat niet kan."

Toen stond graaf Höegh op en zei kalm:

«Jongenlief, 't schijnt, dat je in 't geheel niet aan de mogelijkheid gedacht hebt, dat ik je een pak slaagzou kunnen geven en je door mijn hond daar van mijn erf jagen."

Niettegenstaande dien kalmen toon zag Henrik toch, dat de bedreiging ernstig gemeend was, en dat de hond, die de bewegingen van zijn tegenstander volgde even weinig barmhartigheid zou toonen als zijn heer. Maar hij was in een hevige gemoedsbeweging, zijn bloed kookte en hem ontbrak geenzins de moed, dien ieder dier van edel ras bezit.

»Ik ben geen jongen" antwoordde hij onvervaard, smaar een edelman zoo goed als U. En het is mijn plicht mijn moeder en de vrouw, die ik liefheb te beschermen, als geen ouder en waardiger persoon dat doen kan. Als U dat niet wilt erkennen, dan moest U zich daarover schamen."

Sluiten