Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

78

het zegel opbrengt, niet meer dan ƒ104,000 door het regt op de advertentiën wordt geleverd. Het overige wordt dns door drukwerken opgebragt. Maar welke ? Alleen door de dagbladen. En dit leidt den Minister tot de vraag, of deze belasting is eene goede, regtvaardige belasting? Indien het een goed beginsel is, belasting te leggen op de voortbrengselen van den menschelijken geest, op de uiting der gedachte , waarom die dan alleen op de dagbladen te leggen ? Waarom wel belast de tijdschriften , die meer dan éénmaal 's maands verschijnen , en niet de tijdschriften die éénmaal 's maands verschijnen ? Waarom van de Revue des Deux Mondes zegel te heffen , en van de Revue Brittannique niet ? Waarom de voortbrengselen van kunst uitgesloten ? Waarom de dagbladen belast en de boeken en brochures vrijgesteld ? Waarom zal het een schrijver vrijstaan , eene reeks vau brochures te schrijven, zonder dat hij die in een tijdschrift doet opnemen , en welke brochures dan vrij van zegel zullen zijn , terwijl diezelfde brochures, in een tijdschrift' opgenomen, aan zegelregt zullen onderhevig zijn ? Maar, zal men beweren, de belasting is niet eene belasting op de gedachte , maar op eene industriële onderneming. — Doch dan rijst weêr de vraag op: waarom die en niet eene andere industriële onderneming belast ? Waarom niet belast de onderneming van een letterkundig tijdschrift, dat éénmaal in de maand verschijnt?

Er is nog eene andere drangreden voor de wet. De belasting werkt slecht, omdat zij niet gehandhaafd kan worden , en ook niet wordt. — De heer de Koo heeft zeer teregt die omstandigheid gisteren in het licht gesteld. Men spreekt veel van sluikerij door den smokkelhandel, maar er is eene oneindig grootere sluikerij , waartoe de zegelbelasting aanleiding geeft. Zoo men de hand in den eigen boezem steken wil, zal men ervaren , dat ieder onzer zich wel eens aan dergelijke overtreding van de belastingwet heeft schuldig gemaakt. De Minister moet toch vragen : waarom is sedert 1843 deze wet nooit met gestrengheid toegepast ? Omdat die strenge toepassing afstuitte op de afkeuring der algemeene opinie en men begreep , dat zoodanige toepassing een storm zou doen ontstaan. Het is een feit, dat deze belastingwet dagelijks met medeweten der administratie ontdoken wordt. Wilde men nu naar de uiterste striktheid en strengheid de wet toepassen , dan moesten ook de buitenlandsche tijdschriften, die, onder den haam'van boeken, vrij de grenzen binnenkomen, eu waarnaar men nu niet omziet, worden onderzocht en vele gezegeld ; dan moest elke baal boeken aan de grenzen worden geopend en onderzocht; dan moest men naauwlettend nagaan in koffijhuizen , sociëteiten, koninklijke en andere bibliotheken, of niet een of ander ongezegeld exemplaar aan de controle van de ambtenaren kon zijn ontsnapt. — Daarbij komt het hooge regt van zegel, dat de buitenlandsche tijdschriften zou moeten treffen. De Revue des Deux Mondes zon per aflevering 50 tot 60 cents zegelregt moeten betalen; de London News 10 a 12 cents per n°. aan zegelregt. Werd het zegelregt geheven , welk eene ontzettende vermeerdering van abonnementsprijs zou dit veroorzaken. Men zal beweren, dat dit bezwaar is weg te nemen door eene vermindering van het buitensporig hooge regt. Dit is, z. i., eene schoone illusie, op wier verwezenlijking de Minister, op grond van de ondervinding, niet de minste hoop heeft. Men zou ook streng moeten handhaven het zegelregt op wissels, polissen van assurantie, beleen-contracten en andere overeenkomsten. Hier hebben wij niet met de minder beschaafde, maar met opgevoede menschen te doen, die weten en weten moeten, dat zij thans de wet overtreden. En nu blijft de Minister vreezen, dat, al hief men van buitenlandsche tijdschriften al was het maar één cent zegelregt, het zegel toch zou ontdoken worden. De Minister moet wel zoo spreken, op grond der ervaring; nog zeer onlangs heeft hij een allerkrachtigst bewijs gehad, dat in beschaafde kringen de zegelbelasting wordt ontdoken, en dat men in'den effectenhandel geene beleenings-eontracten sluiten wil dan op ongezegeld papier. .Ia zelfs is het onlangs in eene publieke administratie gebeurd , dat belanghebbenden weigerden , op gezegeld papier een beleenings-contract te sluiten. — In Engeland is dat anders: daar bestaat de gewoonte van het zegel, daar is het met de zeden zaamgeweven. Tot zelfs het schoonere geslacht aarzelt daar niet den boekwinkel in te gaan , om vrijwillig zegeltjes van 1 of 2 ets. te koopen voor eene kwitantie of schuldverbindtenis. Laat men dat hier eens beproeven. Het volk wil dat niet, eu men kan de volkszeden niet dwingen , dat ze veranderen. Maar mogt deze wet worden verworpen, dan moet de Minister toch zeggen, dat hem dan blijkt de gezindheid der Volksvertegenwoordiging om de wet te behouden , en dan moet de bestaande wet niet meer met de tegenwoordige en traditionele laauwheid der ambtenaren —■ door den aard der zaak zelve gedrongen — maar met de meest mogelijke gestrengheid worden uitgevoerd.

Dc Min. wijst nu nog op het advertentie-zegel, welks afschaffing vooral in het belang van handel en nijverheid is. Dit houdt hij speciaal vol tegen den heer Heemskerk , en wijst daarbij op de veelvuldige aanraking van den handel met de zegelwet. Ook uit een zedelijk oogpunt is de afschaffing der zegelbelastiug op de dagbladen wenschelijk. Velen hebben daarover reeds welsprekend uitgewijd. De Min. zal bloot de gronden van zijn gevoelen ontwikkelen , die hierop nederkomen : dat in een constitutionelen Staat de uiting der gedachte in het publiek belang geheel onbelemmerd moet zijn en een essentieel vereischte is voor een gezond constitutioneel leven. Nog eene andere beschouwing wil de Min. maken : men beschouwt ons in het buitenland als eene uitzondering op den regel; als eene achterlijke natie, die wel eene vrije Constitutie heeft, maar in de uitvoering zoo veel mogelijk wil beperken. Wij moeten ons van die blaam zuiveren. Hij constateert dit alleen , omdat dagbladen van Engeland aan zegelregt onderworpen zijn , en dat Rijk constant blijft weigeren , ons de voordeden van goedkooper brievenvervoer te verschaffen, die het aan andere natiën verleend heeft. Niet alleen Engeland, maar dezer dagen nog ontvingen wij het bewijs van eene buitenlandsche Regering (niet liberale), die hare hooge ingenomenheid met dezen maatregel betuigde

en waarin den Min. schriftelijk toegeweuscht wordt, dat de uitslag der beraadslagingen moge beantwoorden aan 's Min. verwachting. Wat betreft de vrees voor de gevolgen, zegt de Min., dat, indien te dien opzigt ééne ondervinding bestaat, dan is het deze, dat het zegel als eene preventive maatregel tegen de verspreidiug van verkeerde begrippen niet aan het doel beantwoord heeft; dat de zegelwet het kwaad niet belet. De hoogste zegelwet zal pamphletten niet wereii, daar de zucht tot schandaal bij velen te sterk heerschende is. De Min. maakt zich geene illusien van de afschaffing, als zou de pers op eenmaal tot volmaaktheid komen ; maar zij zal wel tot eene groote verbetering, tot uitbreiding en prijsvermindering leiden. Daarna gaat de Min. over tot de bespreking van de finantieele kwestie voor de schatkist, die wij, als niet zoo belangrijk voor ons, ook wegens plaatsgebrek , achterwege laten.

Leiden , 16 Maart. Heden had alhier op het raadhuis plaats de aanbesteding van het drukwerk ten dienste dezer gemeente van af 15 Maart tot en met 31 December a. s. Er waren inschrijvingsbiljetten ingekomen van de heeren T. en A. Hooiberg , D. Noothoven van Goor, J. C Draebe , J. ,T. Gerardts , E. J. Brill , J. J. Groen en De Breuk & Smits. Als minste inschrijvers zijn aannemers geworden de heeren De Brkük & Smits alhier, voor 51 pCt. beneden het tarief. (Leidsch Dagblad).

In een overzicht van de wereldtentoonstelling van 1867 , dat het weekblad VImprimerie in hare jongste nummers gaf, wordt o. a. ook melding gemaakt van wat de Hollandsche boekhandel en drukkunst in de 17e en 18e eeuwen was , en van hunnen tegenwoordigen toestand. Over dien toestand van nu wordt tamelijk nit de hoogte gesproken. Bijzondere vermelding keurt men waardig de afdrukken van geldswaardig papier, door de firma Gebr. Binger (Bringer en Tetterode luidt de Fransche lezing!) en de Heeren Joh. Enschedé & Zonen te Parijs ten toon gesteld; ook worden met lof vermeld de proeven der persen van de HH. E. J. Brill, van Asperbn van der Velde, Spin & Zn., Gebr. van Es, Westerman, de Hoogh , enz. De lettergieterij des heeren Tetterode wordt in gemeld blad de voornaamste hier te lande geheeten.

Bij het overlijden van Troplong.

(Naar kei Bransch).

Deze beroemde advokaat, in 1795 te Saint-Gandens geboren, is op 1 Maart 1869 te Parijs overleden , in het paleis »le Petit Luxembourg", dat hij als president van den Senaat bewoonde.

Hij was tegelijkertijd eerste president van het Hof van Cassatie. Men kan van hem zeggen dat zoo veel naam hij als advokaat en als magistraat gemaakt heeft, even zoo nederig zijn intrede in de rechtsgeleerde wereld was. Hij geleek daarin op een soldaat die uitgetrokken met den ransel op den rug, terugkeerde met de maarschalksstaf.

In 1819 op vier-en-twintigjarigen leeftijd begon Troplong zijne rechtsgeleerde loopbaan als substituut van den Procureur des Konings te Alencon. Hij werd tot den rang van Procureur des Konings bevorderd, naar het eiland Corsica overgeplaatst, en daar, in het hartje van dat eiland, in Sartène, trok hij spoedig de aandacht van zijn chefs tot zich, en hij werd eerst als substituut, later als advokaatgeneraal in de balie van den procureur-generaal te Bastië benoemd. In 1829 werd hij verhoogd tot den rang van advokaat-generaal in het Cour-royal van Nancy.

Volgden deze benoemingen en promotiën elkander snel op, zij werden volkomen gerechtvaardigd door zijne weinig geëvenaarde kennis van alles wat tot de rechtsgeleerdheid behoorde. Te midden der moeielijkheden die zich herhaaldelijk voordeden, ten gevolge van verschillende tegenstrijdige wetgevingen, wist Troplong zich steeds te onderscheiden , en zich door zijne ambtgenooten te doen erkennen. Zijne duidelijke, onbewimpelde en waarheidlievende stem was als een fakkel die het duistere pad der rechtsgeleerdheid verlichtte.

In 1833 werd hij «president de chambre" aau het gerechtshof te Nancy, en twee jaren later ontving hij zijne benoeming tot raadsheer in het Hof van Cassatie. In 1846 werd hij tot Pair de France benoemd. Verre van de hooge vlucht zijner rechtsgeleerde loopbaan te stuiten, gaf de Februari-revolutie er eene nieuwe kracht aan. In 1848 werd de Baron Séguier van zijnen post van eerste president aau het Cour de Paris door den dood weggerukt en Troplong werd tot zijn opvolger benoemd. Het jaar 1852 zag hem als eerste president van het Hof van Cassatie.

Sedert de oprichting van den Senaat, onder voorzitterschap van den vroegeren Koning van Westphalen, oom des Keizers, was Troplong lid van dat lichaam,.en werd eerst tot vice-president later tot president benoemd. In deze laatste waardigheid maakte de dood een einde aan zijn leven.

Wat vooral in Troplong's leven merkwaardig was, is, dat zijne hooge en moeitervolle betrekkingen hem niet verhinderden te schrijven, ja zelfs veel te schrijven. Wie kent niet zijn: Code civil expliqué, 28 dln. 8°. Des privileges et hypothèques, 4 dln. 8°. Du Conirat de mariage, 4 dln. 8°. Des Donations, 4 dln. 8°. enz. Zoowel door zijne geschriften als door de vervulling zijner verschillende betrekkingen, heeft hij zich den naam ten volle waardig gemaakt van een der uitstekendste rechtsgeleerden van onzen tijd geweest te zijn. ^- L. D. P.

GEDKL'Kl BIJ G. BL0J1MENDAAL.

Sluiten