Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

137

terwijl hem tevens zijn eisch om nog 2 vel meer dan het werk inhield , betaald te krijgen , natuurlijk geheel werd ontzegd.

De punten'waarop het vonnis berust, zullen uit het vonnis zelf, dat hieronder voorkomt, voldoende blijken.

Waar de wet spreekt, moet men in hare uitspraak berusten Herhaaldelijk heb ik Mr. Levy gewezen op bet finantieele bezwaar aan de meerdere uitgebreidheid verbonden, wat echter— ik weet het— in regten mij niet kan baten. Had ik tegen hem ia tijds, of na de verschijning van de 8e aflevering, mij wettelijk doen gelden hij had mij vermeen ik, moeten schadeloos stellen voor al het verlies aan do uitgave verbonden, wat toen reeds belangrijk was

Ik moet en zal dus berusten in de uitspraak. Als leek heb ik niet re-tskundig gehandeld, maar als regtsgeleerde had Mr. Levy, de man die met de wet in allen deele bekend moest zijn , niet moeten noodeloos keuren een schriftelijk kontrakt te passeren Zijne waardigheid bragt, volgens de uiting van zijnen verdediger, Mr. J. W.TïDMAHL niet mede, om in eenige transactie te treden ; maar zijne waardigheid scheen er niet tegen op te zien, de door mij beweerde overeenkomst slechts voor een deel geldig .te achten , en wel dat deel t welk in zijn voordeel was , namelijk de bepaling van het honorarium , terwijl hij het andere, de bepaling van omvang en tijd , als niet bestaande geliefde aan te merken , waardoor hém voordeel, maar alleen den uitgever de meest gevoelige flnancieele bezwaren werden berokkend.

De aanraking tusschen mij als uitgever en Mr. Levy als auteur leverde een treurige bladzijde in mijn ervaringsboek. Ik deel de zaak mede omdat ik behoefte gevoel den geheelen loop der kwestie algemeen bekend te maken. .

De uitgave van Mr. Levï's eersteling van eemgen omvang beert mij behalve de proceskosten, een finantieel deficit opgeleverd van ƒ2800,—, waaromtrent kopy der stokken , die bij de regtbank gedepone'erd waren , bij mij ter inzage liggen.

Met de opname dezer regelen, waarde Redacteur zult Ge m,j verpikten: ik geef U daarbij de verzekering dat, mogt ik gedrongen worden op de zaak terug te komen , ik echter zoo zuinig mogelijk van uwe ruimte gebruik zal maken. Mijns ondanks heb ik nu over wat veel moeten beschikken.

Amsterdam, G. van Kesteren. -

14 Mei 1869. Firma: Wed. J. C. van Kesteren & Zoon.

VONNIS. Overwegende wat de feiten betreft: _ Dat de eischer poseert, dat hij tegen esn honorarium van achttien cnlden per vel druks, heeft op zich genomen de bewerking van net boek ten titel voerende: het algemeen Duitsche Handels-Wetboek verKeieken met het Nederlandsche Wetboek van Koophandel, verschijnende bij en uitgegeven door de gedaagden en waarvan de eigendom aan de gedaagden verblijft, dat dit werk in twee en tachtig vellen druks compleet verschenen is en de eischer voor zijnen arbeid dus te vorderen heeft ée'n duizend vier honderd zes en zeventig gulden, waarvan af te trekken voor geleverde boekwerken zes honderd t..M K. veertig gulden vijf en vijftig cents benevens tachtig gulden vamen cents voor de helft in het montant van boekwerken die de eischer voor zijnen arbeid heeft noodig gehad, mitsdien per saldo zeven honderd drie en vijftig gulden dertig cents; welk bedrag de gedaagden weigeren te voldoen en dat de eischer alsnu in regten vordert met interest en veroordeeling van de gedaagden in de proceskosten. _

Overwegende dat de gedaagden bij antwoord de door den eischer geposeerde overeenkomst alleen hebben erkend onder bijvoeging dat tusschen partijen' was bepaald, dat het bedoelde werk in zeven ot hoogstens acht afleveringen elk van vier vellen druks en dus in het geheel in twee en dertig vellen zou compleet zijn, berekend tegeneen honorarium van achttien gulden per vel, en voorts hebben gezegd , dat de eischer zich in zijne berekening vergist, daar niet twee en tachtig maar slechts tachtig vellen druks voor het werk zijn gebruikt, zoodat reeds daarom de voideriug met zes en dertig gulden zou moeten verminderd worden ; dat die willekeurige uitbreiding van het werk door den eischer, tengevolge waarvan het niet binnen een jaar maar eerst na zeven jaren compleet is verschenen, aan de gedaagden schade heeft veroorzaakt; dat over de acht en veertig laatste vellen druks niet was gecontracteerd en dus de eischer niet geregtigd is daarvoor achttien »ulden per vel te berekenen : maar de bepaling hiervan aan het oordeel des regters moet wordeo overgelaten; dat bij de bepaling hiervan èn op den arbeid des eischers en op de dienst daarvoor aan de gedaagden bewezen, moet worden gelet, welke beide voor de laatste vellen geringer waren dan bij het begin van het werk; dat de gedaagden aanbieden achttien gulden voor ieder der twee en dertig eerste en twaalf gulden voor ieder der acht en veertig laatste vellen druks of gemiddeld veertien gulden veertig cents over de tachtig vellen en vermeenen daarmede te kunnen volstaan; dat zij de som van zes honderd twee en veertig gulden vijf en vijftig cents voor gekochte en geleverde boekwerken aan den eischer niet betwisten, doch van eene connentie omtrent de betaling van de helft in honderd zestig gulden dertig cents voor boekwerken benoodigd voor de vervaardiging van het werk niets weten, maar, zoo dit tot eene minnelijke schikking mogt kunnen leiden, bereid zijn ook dit punt, doch alleen voor dat geval den eischer toe te geven, weshalve zij aanbieden één duizend één honderd twee en vijftig gulden voor honorarium onder korting van acht honderd twee gulden vijf en tachtig cents voor geleverde boekwerken en mitsdien drie honderd negen en veertig gulden vijftien cents voor saldo den eischer komende van dit aanbod akte vragen en tot ontzegging van de verdere vordering met de kosten concluderen.

Overwegende dat de eischer bij repliek zijne sustennen heeft volgehonden, de beweringen der gedaagden breedvoerig heeft wederlegd en omtrent den post van honderd zestig gulden dertig cents of de door hem daarvan verschuldigde helft aan de gedaagden den beslissenden eed heeft opgedragen.

Overwegende dat bij repliek de gedaagden zich de toerekening van tachtig gulden vijftien cents hebben laten welgevallen en hun aanbod met dat bedrag hebben verhoogd.

Overwegende in regten: . .

Dat tusschen partijen alleen geschil bestaat over de vraag of het honorarium den eischer competerende voor het door hem bearbeide werk door de gedaagden uitgegeven over de acht en veertig of vijftig laatste vellen druks even hoog moet worden berekend als voorde twee en dertig eerste vellen druks, dan wel lager bepaald moet worden in evenredigheid met den arbeid des eischers en de dienst daardoor aan de gedaagden bewezen.

Overwegende, dat de gedaagden erkennen, dat zij met den eischer zijn overeengekomen, dat deze zou bewerken en zij zouden uitgeven: . Bet Algemeen Duitsche Bandelsaetboek vergeleken met het Nederlandsche Welhoek van Koophandel.;

dat uit deze erkentenis, afgescheiden van de qnaestie van honorarium volgt, dat de bedoeling der contracterende partijen was, om te leveren een afgewerkt geheel, het geheele Duitsche Handelswetboek ; dat deze bedoeling de geheele overeenkomst beheerscht, zoodat een niet voldoen hieraan van eene of andere zijde, tot vernietiging der overeenkomst zou leiden ; ,

dat met het oog hierop eene beperking van het werk binnen de grenzen van twee en dertig vellen druks, waaraan de eischer zon gebonden zijn, met regt onaannemelijk ,s, tenzij de. gedaagden hadden bewezen of aangeboden te bewijzen, dat werkelijk bij de conventie met den eischer die grens was gesteld hetgeen niet is geschied ;

dat evenmin eene beperking van het honorarium tot achttien gulden voor de twee en dertig eerste vellen druks, door den eischer apr.ori aangenomen , voor hij zelf den omvang van het te ondernemen werk kende zich laat denken ; dat ook geen aannemelijke reden is aangevoerd waarom den eischer voor het excedent der twee en dertig vellen druks minder honorarium zou behooren te worden toegekend dan voor de eerste twee en dertig vellen ; dat toch de artikelsgewijze behandeling van een wetboek wel is gegrond op een algemeen systeem, dat in het geheele werk moet worden toegepast en teruggevonden doch dat de verscheidenheid der onderwerpen, die m de verschillende afdeelin-en behandeld worden , telkens nieuwe stadie vereischt en niets in casu de bewering staaft dat het laatste deel van des eischers werk minder arbeid van geest zou hebben gevorderd , dan het eerste;

dat hierbij komt dat de gedaagden , toen zij de uitgave van het qnaestieuse werk annonceerden , zich tegenover het publiek niet hebben verbonden, om niet meer dan tweé en denig vellen druks m rekening te brengen, maar toen het werk van grooter omvang bleek te worden. dan zij zich eerst hadden voorgesteld, zijn voortgegaan met denzelfdeu prijs te berekenen voor iedere aflevering na de twee en dertig eerste vellen , als voor de eerste acht afleveringen ;

dat zij dus uit dien hoofde geen schade hebben geleden en daarom gehouden zijn, waar niet blijkt, dat zij na de uitgave der eerste twee en dertig vellen hebben getracht met den eischer andere schikkingen te maken , maar stilzwijgend de overeenkomst hebben verlengd en op denelfJe conditiën hebben voortgewerkt, gelijke uitgave van honorarium te doen, waar zij gelijke ontvangst voor het werk be-

rE da°tdedus met geheele terzijdestelling van het door de gedaagden genoemde onsplitsbaar averd , daar waar partijen zich aan s regters oordeel refereren, het billijk en regtmatig voorkomt, dat den eischer worde vergoed voor arbeid en dienst, over het geheele werk achttien golden per vel druks;

dat echter uit eene optelling der bladzijden, waaruit het werk bestaat gedeeld door het cijfer 16 , zijnde het getal bladzijden van een vel druks, blijkt, dat slechts tachtig veilen druks in rekening mogen worden gebragt, zoodat de vordering des eischers met zes en dertig gulden moet worden verminderd ;

gezien art. 1902 Burgerlijk Wetboek en 56 Burgerlijke Regtsvordering ; Regtdoende :

Verleent akte waarvan akte is gevraagd.

Verklaart, dat de gedaagden met hun gedaan aanbod met kannen volstaan; .

veroordeelt hen om aan den eischer tegen behoorlijke kwijting te betalen de som van zeven honderd zeventien gulden dertig cents, in voldoening en als saldo van het honorarium der eischer aan de gedaagden competeerende wegens des eischers bewerking van het boekwerk getiteld Bel Algemeene Duitsche Eandelswelboek vergeleken met het Nederlandsche Wetboek van Koophandel, met den interest, a vijf percent 'sjaars van den dag der dagvaarding tot de voldoening; ontzegt den eischer zijnen verderen en meerderen eisch; veroordeelt de gedaagden in 9/10 (negen tiende) en den eischer m 1/10 (één tiende) van de gezamenlijke proceskosten.

Amice Redacteur! De heer de G. vergist zich met te denken dat de Postdirecteuren, als leveranciers van couranten, ongepatenteerd zijn. De Directeur van het Postkantoor Amsterdam betaalt volgens de ofncieele lijst over 1868 een patent van ƒ57,60 en staat daardoor in den aanslag gelijk met de heeren Kirheroer, v. Kampen, Gkbhard, v. Baekenes, mijzelven en no» een paar anderen. Doch dit neemt de onbillijkheid nog

■ niet weg dat°het een bezoldigd Rijks-ambtenaar vergund is met ons ' te concurreren en voor het bezorgen der couranten, voor het ïncas. seren der abonnementsgelden, enz. de hulp te gebruiken der door het i Rijk bezoldigde brievenbestellers. Daarom ondersteun ik het denkbeeia

■ om in een adres aan den Minister van Finantiën, ten sterkste op do , afschaffing van deze onbillijkheid aan tc dringen en zou ik het wrra

zeer wenschelijk vinden indien, van alle kanten, door boekverkoop^,

Sluiten