Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

308

De pas verschenen tweede drnk van den Catalogus van Boekdrukkers- en binders-gereedschappen, van den heer N. Tetterode te Amsterdam, geeft een belangwekkend overzicht van wat er al zoo in den tegeDwoordigen tijd in die vakken door machinerie kan verricht worden. Behalve dat in dien Catalogus een tal van keurig gegraveerde en goed gedrukte afbeeldingen voorkomen van de nieuwste en meest gebruikte hand- en snelpersen, ramen, vormwagens, snijmachines en kapmessen voor koperen en andere lijnen, ijzeren «schenen" voor de snelpers en tal van andere artikelen , geschikt voor kleine en groote boekdrukkerijen, vindt men er ook allerlei soorten van snijmachines, glans-, perforeer-, adresseer-, verguld- en vouwmachines in afgebeeld. Eene korte beschrijving, soms met opgaven door wie hier te lande van die machines reeds aangekocht zijn; zoomede alle noodige prijsopgaven maken deze «Prijslijst" van den heer T. tot een allernuttigst handboekje voor iederen drukker, boekbinder en ook voor den boekhandelaar die gaarne op de hoogte blijft van wat er voor zijn werk al zoo saamgesteld wordt.

De tweede druk van dezen Catalogus onderscheidt zich van den eerste door dat hierin al de persen en werktuigen uit de fabriek van Harbild & Sons te Londen zijn opgenomen, voorts vindt men er afgebeeld en beschreven de locomobile van Marshall Sons & C0., de nieuwste vouwmachine, de Presse a la minute, de «Liltle Champion" en Liberty Press", zijnde kleine snelpersen voor smoutwerk, die met den voet in beweging gebracht per uur 800 afdrukken leveren, doch alleen geschikt zijn voor drukwerk in 4°. postformaat en kleiner. Eindelijk zijn in dezen Catalogus een tal van kleinere artikelen vermeld, waarvan het practisch nut door de ondervinding bewezen is en die allezins geschikt zijn om door besparing van tijd werkelijke voordeelen op te leveren.

Een Autodafé op de Leipziger beur».

(Slot.)

Ik heb zelfs hier en daar zedelijke strekkingen laten invlodjen en uitwerken, en ik vorder dat quivispraesumitur bonus, donecprobetrucontrarium; dat is, dat ieder het voor goed honde, totdat het tegendeel bewezen is, en dat Gij mijne heeren ieder voor zich met aandacht het boek doorleest en dan eerst Uwe meening uitspreekt: niet echter nu dadelijk op het voorstel van den eerwaarden Perth es , die het uit een al te vroom, piëtistisch oogpuDt kan hebben beoordeeld. At qui ergo. Doch dringt Gij op zijn voorstel aan, dan moet ik insgelijks op de vernietiging en brandmerking van de in den boekhandel van F. A. Brockhaus verschenene gedenkschriften van C&Sknova aandringen , daar die dan insgelijks tot de beschuldigde cathegorie behooren. — Dixi et salvavi animam meam , ik heb gezegd en mijn gemoed uitgestort." — Hij zwijgt, buigt het hoofd en treedt ter zijde. Dof gemompel, geschreeuw, door elkander gepraat. — De rijzige jongeling, met eene karwats in de hand en sporen aan zijne groote laarzen , die reeds gedurende de rede zich op de teenen had rondgedraaid en daarbij een en andermaal een «god dam» had laten hooien, is Julius Baumgürtner, wel is waar geen groot vriend van Brockhaus, maar een vriend van regt en billijkheid.

Een groot, tamelijk gezet jongmensen, spreekt nu op eenen snaterenden toon , noemt Klein den vervaardiger der geschrifteu , doch kan door zijne onduidelijke stem niet verstaan worden.

Eenigen belemmeren hem in het spreken, omdat hij het voor eenen redenaar passende orgaan niet bezit. —■ Daarop verzoekt na eene onrustige pauze, een jong vriendelijk man; met een geestig gezicht (hij draagt ook eenen bril) het woord: het is Brockhaus zelf, en hij verdedigt kort en bondig met de volgende woorden zijne aangevallen uitgave.

«Mijne Heeren I ik kan het niet ontkennen dat er in de Gedenkschriften van Casanova veel onbetamelijks is; ik weet echter ook dat het U allen bekend is, dat zij daarbij vele zedelijke strekkingen , eenen schat van levenswijsheid, wereldbeschouwingen, ervaringen en vele aanteekeningen over de beroemdste mannen van eenen veel omvattenden grooten tijd bevatten, die verreweg het schadelijke van sommige bladzijden overschaduwen. Casanova schildert wel de zonde: hij schildert ze bekoorlijk, maar hij verzwijgt hare rampzaligheid niet; hij noemt ze niet anders dan eene geheime zonde; hij loochent nooit de ellende en het beronw dat hij door haar ondervonden heeft; kortom hij schildert haar als eene bonte slang, waarvan hij ook den vergiftigen angel toont."

Hij eindigt en buigt zich. Teekenen van bijval, gefluit, gemor, geschreeuw, Ernst Klein stuift op als een kalkoen, krijgt een hoofd zoo rood als vuur, schreeuwt zijne verdediging luid uit, doch wordt overstemd.

Daarop verzoekt Perth es , die tot nog toe zwijgend heeft gewacht en met bliksemende oogen de vergadering heeft overzien, stilte. En even als door eene plotselinge vlaag van de ijskoude noordewind de golven der zee staan blijven en in hunne bewegingen bevriezen , zoo zwijgt ook de vergadering en Perthes spreekt:

Mijne Heeren! houdt Gij de geschriften van Ernst Klein voor een verderfelijk, onzedelijk, de openlijke vernietiging waardig werk?

Algemeen donderend ja.

Houdt Gij de gedenkschriften van den Venetiaan Casanova , insgelijks voor een verderfelijk opus? Algemeen nog donderender neen.

Houdt Gij het voor regtvaardig en billijk de geschriften van Ernst Klein hier verachtelijk te vernietigen? Algemeen en luid ja.

En alles is nu doodstil. Ernst Klein sluipt bleek en baDg in eenen hoek, en legt vol gedachten de hand aan zijne bakkebaarden.

De vreeselijke regters echter, treden aan de groene tafelen na verloop van eenige minuten zijn de boeken in honderd duizend stukken verscheurd, en aan de vier winden en het vuilnis prijs gegeven.

De vergadering staat op: — ik laat de gordijn vallen.

In allen gevalle, (zoo gaat de schrijver van de voorrede voort) was de zoo even verhaalde gebeurtenis eenen misstap, omdat als een boekhandelaar een boek niet wil verkoopen, hij het als boekhandelaar eenvoudig terug kan zenden, of vernietigen, maar het dan ook moet betalen; het laatste hebben de heeren echter niet gedaan. Wil men in corpore eeD boek niet verkoopen, zoo kan men ook dit; maar als znlke besluiten worden genomen, gehouden worden ze toch niet. Ik ben er volstrekt niet voor dat zulke boeken onder het publiek worden gebragt, maar iemand te veroordeelen, omdat hij zulk een boek uitgeeft is onregtvaardig, daar boeken koopwaren zijn, even als iedere andere waar, en men het dus op deze of gene wijze beproeft. Waren Clauren's geschriften niet even zoo gevaarlijk, vooral omdat zij veelal door jonge meisjes werden gelezen, als Althing's vertellingen, die toch slechts alleen in handen van mannen kwamen? Men wilde een voorbeeld stellen. Beter is dit altijd nog dan in den tegenwoordigen rijd het geval zich heeft voorgedaan met een Berlijnschen boekhandelaar, die eene advertentie in het Börsenblatt liet plaatsen en 6 Exemplaren verzocht van alle werken die verboden zouden kunnen worden, en die zich tevens verbond, geene exemplaren te laten verbeurd verklaren. Waartoe liet de heer S. deze advertentie plaatsen ? Om alle dusdanige geschriften in handen te krijgen en ze dan als aanbrenger aan het politiebureau te kunnen overhandigen. Van stukken die echter niet naar Pruissen en Saksen gezonden werden, leverde de heer S. slechts 1 Exemplaar aan het politiebureau , en de overige 5 zond hij terug zoodra er een verbod op was gevolgd en, zoo als het mij ging, een onderzoek was begonnen. De voor Berlijn bestemde Exemplaren van eene brochure van den regter-commissaris Fisscher in Breslau tegen Stahl en Gerlach zonden Hoffmann en Campe naar dien boekhandel; zoo als Campe verzekert, zond S. de ingesloten pakjes eerst na weken weg, nadat er reeds een verbod op gelegd was. Over zijne handeling ondervraagd, antwoordde S. in eenen brief, dat hij daar niets in vond: het politiebureau kocht jaarlijks voor 150 Rth. boeken uit zijnen winkel (wel te verstaan zulke boeken) en daarvoor moest hij alle dusdanige artikelen leveren; deed hij het uiet, zoo deed het een ander. En dat voor 150 Kthl! Als boekhandelaar tevens het ambt van een aanbrenger uit te oefenen is toch wat sterk, doch wat is niet mogelijk en wat doet menigeen niet om een paar daalders te verdienen, en vooral hij die het het minst noodig heeft, maar wie weet, misschien om een lintje. Wij willen slechts hopen dat het hem niet zoo moge gaan als den ouden heer Diincker, die het ongeluk heeft, dat hem zijn eene zoon Alexander het lintje wegkaapt en dat de andere Franz als democraat zijnen goeden naam in de aanzienlijkste aristocratische kringen in minachting brengt: want loontje komt om zijn boontje. Zoo verre onze vertaling.

Gr. 1869. R. J. S. R.Jz.

In de voornaamste couranten van Boston kwam in de maand Juli herhaaldelijk eene advertentie voor, waarin de uitgevers Fields, Osgood & C°. te Boston eene opgave deden van de verschillende nieuwe werken, door hen uitgegeven gedurende het tijdsverloop van anderhalf jaar (van Januari 1868 tot Juni 1869). Niet minder dan 40 namen der beroemdste en populairste Amerikaansche en Engelsche dichters en prozaschrijvers kwamen in die advertentie voor. — Het was natuurlijk dat hierdoor de algemeene aandacht op deze uitgevers gevestigd werd , bijna ieder dag- of weekblad bevatte over hen een artikeltje. De Atlantic Monthly gaf zelfs een uitgebreid artikel, waarin de verschillende aankondigingen der andere couranten opgenomen waren en daardoor, onder den titel van Eiqhteen months of a publishing house een interessant geheel gaf.

De Evening Transcript, eene der Bostonsche couranten, zeide over deze advertentie o. a. het volgende: «Onze eerste kolom moet heden gewijd zijn aan de vermelding eener advertentie, die eene welverdiende bewondering genoot en de geschiedenis bevat van een zeldzamen ondernemingsgeest. De heeren Fields, Osgood & C°. wier namen onder het boekenkoopend publiek genoeg bekend zijn , gaven gedurende 18 maanden een aantal boeken uit van twee soorten van schrijvers, Engelsche en Amerikaansche, waarvan de meerderheid nog in leven is en wier werken bijna alle populair zijn. Wanneer wij de aandacht op deze advertentie vestigen, is het alleen om eene openlijke en welverdiende hulde te brengen aan de uitgevers, die in den tijd van 18 maanden onze bibliotheken met zoo vele uitstekende werken verrijkten. Een vluchtige blik op de advertentie en op de daarin voorkomende namen is voldoende om de belangrijkheid hunner uitgaven tedoeu opmerken. Onder de dichters vinden wij vermeld Lonqpellow, Tennyson, Browning, Lowell , Whittier e. a.; onder de prozaschrijvers komen dn namen voor van Scott , Thackerey , Dickens, Rkade , Eliot , Hawthorne e. a.; het nitmuntendste en beste der latere Engelsche literatuur is in deze advertentie vertegenwoordigd.

Genoemde werken niet alleen, maar ook eenige uitmuntende tijdschriften worden door deze firma uitgegeven. Het oudste Amerikaansche weekblad Every Saturday, het algemeen verspreide maandwerk The Atlantic Monthly en het kindertijdschrift Our young Folks , worden door hen op uitmuntende wijze uitgegeven en geëxploiteerd.

Het behoeft geen betoog dat de genoemde Engelsche werken allen waarschijnlijk nadrukken zijn, maar toch moet men eerbied hebben voor den ondernemingsgeest der heeren Fields, Osgood & C°., die in zulk een klein tijdsverloop zooveel werken het licht deden zien.

P.

bedrukt bij c. blo.mmendaal.

Sluiten