Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

3

In de overtuiging, dat daarmede onze onderhandelingen waren geëindigd, en dat alzoo geen verandering zon worden gebracht in de uitgave van het Nieuwsblad voor den Boekhandel , deden wij de volgende mededeeling aan de leden , die opgenomen is in het Nieuwsblad van 19 Nov. 1863:

Het Bestuur ziet zich verplicht, aan de leden te berichten, dat zijne pogingen, om gevolg te genen aan het Besluit der laatste Algemeene Vergadering, betreffende de uitgave van het Nieuwsblad, niet tot het gewenschte doel hebben geleid.

Van oordeel zijnde, dat het alleen de bevoegdheid had, dat besluit in zijn geheel te behandelen , heeft het gemeend, niet te moeten treden in eene overeenkomst, waardoor slechts gedeeltelijk aan den wensch der Vergadering zou zijn te gemoet gekomen.

In 1869 zal dus de uitgave van het Nieuwsblad weder geschieden , overeenkomstig het sedert jaren met den Heer J. M. van 't Haaff loopende contract, dat in de laatste Algemeene Vergadering is vernieuwd.

Namens het Bestuur , Amsterdam, W. H. Kirberger, President.

13 November 186S. J. C. Loman Jr., Secretaris.

Wij werden echter niet weinig verrast door de geheel onverwachte ontvangst van het volgende schrijven :

Hoezeer betreurende dat de tusschen ons gevoerde onderhandelingen geen gunstig officieel resultaat mogten opleveren voor de leden onzer Vereeniging , kwam het mij echter niet oorbaar voor , hen verstoken te laten vau de voordeelen , die zij zouden kunnen genieten met eene wijziging in de nitgave van het Nieuwsblad voor den Boekhandel.

Is, mijns inziens, met bescheidenheid maar openhartig zij dit gezegd, het belang der leden onzer Vereeniging in 't algemeen hier niet genoegzaam op den voorgrond geplaatst door UEd., bij mij weegt dat algemeen belang in de eerste plaats, en al zijn dan ook onze onderhandelingen geëindigd , ik heb vermeend de belangen des Boekhandels niet geheel afhankelijk te mogen laten worden van eene beslissing van enkele personen.

Hoe ik daartoe mijn plan heb ingerigt, zal reeds blijken uit de circulaire, waarvan ik de eer heb U bij deze een Exemplaar over te leggen , en die heden aan de leden onzer Vereeniging is toegezonden.

Het contract door de Vereenigiug in Augustus jl. op nieuw met mij gesloten , wordt door mij ten volle geëerbiedigd; — het oordeel der leden over mijn in dezen gevolgde gedragslijn , durf ik met vertrouwen te gemoet te zien, en nu Mijne Heeren 1 heb ik de eer hoogachtend te zijn

'sHage, 15 November 1868. j. M. van 't Haapp.

Hierbij was gevoegd eene circulaire die waarschijnlijk in Uw aller handen gekomen is, en waarvan wij de mededeeling dus onnoodig achten.

Wij behoeven TJ niet te verklaren dat de kwestie hierdoor een geheel ander aanzien verkreeg. Terwijl wij gemeend hebben Uw tweeledigen wensch niet te mogen splitsen en geen vrijheid te hebben eenige opoffering van de Vereeniging te mogen vragen, tenzij aan dien wensch in zijn geheel werd voldaan, was nu door den Uitgever het besluit genomen, om eene uitbreiding aan het Nieuwsblad te geven, die, zeker op zich zelve wenschelijk, naar ons oordeel toch volstrekt niet voldeed aan Uwe opdracht. Na overleg met den Redacteur vonden wij ons dus gedrongen den Heer van 't Haait de volgende mededeeling te doen :

Uwe geëerde van 16 November 11., waarbij Uw circulaire gevoegd was, hebben wij in onze Vergadering van gisteren besproken. Naar aanleiding daarvan hebben wij U thans mede te doelen , dat het Bestuur het door U uit te geven Zondagsblad in geen enkel opzicht beschouwt als behoorende tot het orgaan onzer Vereeniging, daarvan de verantwoordelijkheid niet op zich neemt, en zulks aan de leden zal kenbaar maken. Wij geven U daarom in overweging om ter voorkoming vau alle moeielijkheden Uw Zondagsblad met eene afzonderlijke paginering te doen verschijnen. Met achting enz.,

Namens het Bestuur, W. H. Kirberger, President. J. C. Loman Jr. , Secretaris.

Den inhoud van dit schrijven deelden wij U mede in het officieel gedeelte van het Nieuwsblad. En hiermede eindigden onze bemoeiingen in deze.

Met het oog op de door U uitgesproken verklaring dat gij de verandering van het orgaan wenschtet met 1°. Jan. II. of, zoo dit onmogelijk was, vóór 1°. Jannarij 1870, hebben wij gemeend , na het gebeurde geen gebruik te moeten maken van Uwe ons verleende machtiging tot het nemen van alle maatregelen, welke strekken kunnen om het gewenschte doel op de minst kostbare wijze te bereiken; in elk geval kan dit niet geschieden vóór den uitersten termijn (1 Januari 1870) en was er dus geen overwegend bezwaar, om, alvorens tegenover den Heer van 't Haaff handelend op te treden , U kennis te geven van den staat van zaken, en daarop Uw bepaald besluit af te wachten : of gij tevre¬

den zijt met het gedeeltelijk voldoen aan uwen wensch, zoo als de Heer van 't HaaFF oordeelde, dan wel verlangt dat aan dien wensch „in zijn geheel" voldaan worde.

In afwachting van hetgeen gij in deze zult beslissen, gaan wij over tot de mededeeling der particuliere zaken, waarin onze tusschenkomst werd ingeroepen. Zij zijn weinig in getal en bepalen zich tot 1°. een schrijven van de Heeren Nu hof f, Suthoff en Thieme, zich beklagende over de uitgaaf der photographische kopij eener teekening van den Heer VYeitkamp te Rotterdam, die blijkens daarbij gevoegd bijschrift gevolgd was naar Sluijter's gravure van het portret van Mr. J. van Lennep. Hoewel het kopijrecht der klagers op genoemde gravure niet door ons in twijfel werd getrokken , meenden wij van eene vervolging in deze te moeten afzien, omdat de navolging zóó vrij en zelfstandig was geschied, dat ze naar ons oordeel alleen uit het bijschrift wa9 op te maken, en deze photographische van Lennep , zoowel in houding als gelaat, aanmerkelijk verschilde van den door den Heer Sluuter gegraveerde. Eene vervolging zou dus moeten geschieden niet zoozeer tegen de uitgave zelve als tegen de daarbij gevoegde bewering, die, indien ze waar bevonden werd, eene strafbare daad zou vermelden; 2°. van den Heer G. Pu. Zalsman tegen den Heer H. Bokma te Leeuwarden, wegens diens uitgave Jaarboeltje voor de Hervormde Kerk, waarin een aantal mededeelingeu en opgaven voorkomen , die naar zijn oordeel zijn overgenomen uit het bij hem verschenen: Zalsman's Jaarboekje voor kerk, school en zending. Wij hebben ons tot den Heer Bokma vervoegd, om opheldering, vooral ook op grond , dat 1». in zijne uitgave , die eenige maanden later verschenen is dan die van den Heer Zalsman, de geïncrimineerde opgaven bijna allen eensluidend zijn, en 2". daarin zijn opgenomen mededeelingen, die , betrekking hebbende tot de Chr. afgescheiden kerk, eigenlijk niet in het Jaarboekje voor de Hervormde Kerk op haar plaats zijn, en alzoo aanleiding geven tot het vermoeden, dat zij daarin bij vergissing, tegelijk met de andere stukken uit Zalsman's jaarboekje zijn overgenomen. Hoewel nu het antwoord niet in allen deele afdoende was, vonden wij geen grond om een actie in te stellen tegen den Heer Bokma wegens nadruk van stukken, die hij heeft kunnen verkrijgen, eu die hij verklaart verkregen te hebben langs denzelfden weg, dien de klager had ingeslagen , namelijk door aanvraag aan de verschillende besturen, terwijl hij de eensluidendheid bij het tijdsverschil van uitgave verklaarde door de mededeeling, dat er een geruime tijd verloopen was tusschen het afdrukken van een gedeelte en de uitgaaf van het geheel. Wij hebben den Heer Zalsman daarvan kennis gegeven; maar op zijn nader schrijven gemeend nog eene laatste poging te moeten aanwenden om in deze zaak tot volkomen opheldering te komen. Een onzer leden nam daartoe op zich, de zaak persoonlijk te onderzoeken, en later hopen wij U den uitslag daarvan te kunnen mededeelen. 3°. Bericht van de Heeren Gebrs. Belinfaxte , dat hunne baal met boeken en tijdschriften te Parijs was aangehouden door de policie, die na opgemaakt proces-verbaal de afzenders beboet had wegens verzending van fransche tijdschriften langs een anderen weg dan de post-administratie. Deze beboeting, gegrond op eene verouderde wet, die sedert jaren niet in toepassing was gebracht, gaf den Heeren Gebr. Belinfaxte aanleiding tot de vraag, of het niet raadzaam ware, onze Regering te verzoeken over deze zaak met het Fransche Gouvernement te confereren, daar de vernieuwde handhaving dezer wet het debiet van Fransche tijdschriften in het buitenland nagenoeg onmogelijk zou maken. Na verkregen inlichtingen begrepen wij echter, dat deze maatregel der Parijsche policie het gevolg was van bijzondere politieke omstandigheden, en de verouderde wet alleen voor dit bepaalde doel aan de vergetelheid was ontrukt, ten einde daarmede het gedane onderzoek te wettigen; wij meenden daarom, overeenkomstig den ons gegeven raad, de zaak te moeten laten rusten, in de overtuiging, dat ook zonder de gevraagde tusschenkomst verkregen zou worden, wat de Heeren Gebr. Belinfante verlangden. Deze verklaarden dan ook later, dat zij zelf bij nadere beschouwing het met ons eens waren.

Verder hadden wij in het afgeloopen jaar af te rekenen met de heeren L. E. Boson & Zoon het nadeelig saldo hunner uitgave eener vertaling van „L. Müulbacii, Deutschland in Sturm und Drang", een roman in drie afdeelingen, of twaalf

Sluiten