Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

5

lentie eerbiedig te vcrzoekcu, dat zij besluite, ora , zoo spoedig dit zal kunnen geschieden , aan de ambtenaren der post-administratie te verbieden , zich te belasten met den handel en den verkoop van boeken , tijdschriften en dagbladen, 't Welk doende enz.

J)e Vereeniging ter bevordering van de belangen des Boekhandels , Amsterdam, W. H. Kirberger, President.

29 Juni 1869. J. C. Loman Jr. , Secretaris.

Wij vleien ons door dit adres aan den algemeenen wensch onzer medeleden te hebben voldaan, en twijfelen niet, of ook van andere zijde zal het Z. Excellentie worden duidelijk gemaakt, dat onze billijke klacht door den boekhandel wordt gedeeld en onze vrees op feiten is gegrond.

Eindelijk meenden wij ook in dit jaar eeu nieuwen aanval te moeten wagen tegen de welbekende wet van het jaar 1817, die, hoezeer verouderd, nog steeds in volle kracht is. Het doet ons leed, dat de gevraagde gelegenheid, om aan Z. Excellentie in particuliere audiëntie onze wenschen uiteen te zenden, ons wel toegezegd, maar tot heden niet gegeven is. Wij moesten dus' besluiten, ons adres op de gewone wijze aan Z. Excellentie toe te zenden, en laten dit hieronder volgen:

Aan Zijne Excellentie den Minister van Justitie.

De Ondergeteekenden , Bestuurders der Vereeniging ter bevordering van de belangen des Boekhandels, achten zich verplicht een beroep te doen op de welwillende medewerking van Uwe Excellentie, tot opheffing van het hoofdbezwaar voor den boekhandel, de bestaande wet op het Kopijrecht van 25 Januari 1817, en tot vervanging daarvan door Wetsbepalingen, die aan den auteur en zijne rechtverkrijgenden een werkelijken waarborg geven voor hunne rechten en deze niet, zoodra het de toepassing der wet geldt, aan onzekerheid of wisselvallige interpretatie overlaten.

Het doel der Ondergeteekenden kan thans niet zijn, Uwe Excellentie op te honden met nog eens in 't breede te wijzen op de vele en groote gebreken der wet van 1817, aan wier hoofd , als ware't een bespotting, geschreven staat dat zij «de regten bepaalt, die in de Nederlanden ten opzigte van het drukken en uitgeven van letter- en kunstwerken kunnen worden uitgeoefend." Die gebreken toch worden bnitcn twijfel door Uwe Excellentie erkend , zooals zij door ieder onpartijdig rechtsgeleerde sedert het bestaan der wet en door Uwer Excellenties voorgangers, ook nog in 1867, bij missive aan het Bestuur der Vereeniging van den Boekhandel, door Z. Excellentie den Minister Borrkt erkend zijn.

Evenmin mogen de Ondergeteekenden Uwe Excellentie hier vermoeien met de opsomming der vele en verschillende aanvragen gedurende nu meer dan 50 jaren door de Vereeniging van den Boekhandel tot de regeering gericht, telkens welwillend aangenomen , telkens als geheel gegrond erkend , maar ook telkens, door allerlei oorzaken , met teleurstelling geëindigd. Genoeg zal het hier zijn , Uwe Excellentie te wijzen op de latere pogingen der Vereeniging van den Boekhandel, en meer bepaald hoe zij, geen anderen uitweg open ziende, ia 1860 de vrijheid nam, bij een vernieuwde aanvrage, een Ontwerp eener Wettelijke regeling van het Kopijrecht met Memorie van toelichting te voegen, opgesteld door haren raadsman, Mr. Auh. Philips, wiens kaïakter zoowel als zijn grondige bekendheid met het onderwerp ten waarborg strekken tegen verdenking van eenzijdigheid of partijdigheid. Door de bijvoeging van een Ontwerp trachtte de Vereeniging zich niet een recht aan te matigen , dat aan den wetgever toekomt, maar zij koos den vorm van Ontwerp alleen, om, beter dan dit bij eenvoudig adres mogelijk was , hare bezwaren te kunnen preciseeren.

Dat dit ook zoo door de toenmalige regeering werd opgevat, bleek uit de welwillendheid , waarmede zij het Ontwerp ontving en uit haar bericht , dat zij het ter beoordeeling in handen had gesteld van de Akademie van Wetenschappen (afdeeling Letterkunde) en de Akademie van beeldende kunsten.

Zooals Uwe Excellentie bekend zal zijn , bepaalde de Akademie van Wetenschappen zich tot zelfstandige behandeling van het onderwerp en formuleerde de conclnsiën harer beraadslagingen in de vergaderingen van 11 November en 9 December 1861 on 10 Februari 1862 , in 17 Punten en grondstellingen, met eene Memorie vau toelichting, zooals die in de Verslagen en mededeelingen van genoemde jaren te vinden aijn. Uit die punten zoowel als uit de disenssiën der Akademie bleek bet, dat hare Commissie zich op een geheel ander standpunt plaatste als de steller vau het Ontwerp der Vereeniging van den Boekhandel. Uc eerste toch trachtte de rechten der anteurs van kunstproducten op ieder terrein van kunst, tegelijk met de rechten van schrijvers en uitgevers van drukwerken, in e'e'ne wet te vereenigen, terwijl de laatste, met geheele erkenning van de noodzakelijkheid eener regeling der rechten van den kunstenaar op zijn arbeid , die regeling als moeielijk met eene wet op het kopijrecht in overeenstemming te brengen , bij afzonderlijke wet wilde bepaald zien. Voorts scheen het uit de Memorie van toelichting bij de genoemde Punten en grondstellingen zoowel als uit de disenssiën te blijken, dat de Commissie en verschillende leden der Akademie in de meening verkeerden , dat de Vereeniging van den Boekhandel de prioriteit op vertaling van biiitcnlandsche werken, door de wet geregeld en gehandhaafd wilde zien , iets , wat, als onderwerp van onderlinge overeenkomst, niet in de bedoeling der Vereeniging lag en waarvan dan ook niets in haar Ontwerp voorkomt.

Jaar-Verslag , 1868/69. II.

Het is den Ondergeteekenden onbekend , wat door de toenmalige Regecring is besloten, en de Boekhandel bleef evenals vroeger in bet onzekere omtrent het uitzicht op een wetsregeling , waaraan zulk eeue , door ieder bevoegde erkende behoefte bestaat. Een vernieuwd adres in 1867 aan Uwer Excellenties voorganger, den Minister Bobret, ten geleide van een exemplaar van het door de Vereeniging uitgegeven werk: Hel Letterkundig eigendomsregl in Nederland, wetten, iraciaien en Regtspraken, mocht alleen met de ^bovengemelde welwillende erkenning van de gegrondheid der klacht, beantwoord worden.

liet is daarom dat de Ondergeteekenden , met vertrouwen op Uwer Excellenties belangstelling, zich, met vernieuwde bijvoeging van eeu exemplaar der genoemde wetten, waarachter (pagina 245 e. v.) het genoemde Ontwerp der Vereeniging met de Memorie vau toelichting te vinden is, eerbiedig tot TJ wenden , met verzoek dat het Uwe Excellentie moge behagen om afdoende maatregelen te nemcji tot spoedige vervanging eener wet die, onvoldoende en gebrekkig in het algemeen , en door hare uitzonderingen in tegenspraak met zich zelve , bij toepassing de rechten van den auteur en zijne rechtverkrijgenden , die zij zegt te beschermen , geheel illusoir maakt.

*t Welk doende enz.

Amsterdam , Juni 1869.

{was get.) W. H. Kirberger. A. W. Sijthoeï. ' J. H. Gebhard. D. A. Thieme.

./ » J. C. Loman Jr. E. B. ter Horst. » B. van Dijk.

Intusschen zoo als wij U reeds in den aanvang van ons verslag mededeelden , hebben wij maatregelen genomen, dat deze kwestie ook op het eerstvolgend Letterkundig Congres in behandeling zal komen, en zoo hopen wij er eindelijk in te zullen slagen de algemeene aandacht te vestigen op een onderwerp, dat van zoo overwegend belang is voor onzen handel, en de Regeering aanleiding te geven zich de zaak met kracht aan te trekken.

Eindelijk rust op ons de plicht met een woord te herinneren aan de leden, die ons in het afgeloopen jaar zijn ontvallen. Het zijn de heeren P. B. van Waning Bolt , die sedert vele jaren lid onzer Vereeniging was, Th. Begijin , lid der firma F. Bütfa & Zoon , eerst onlangs tot onze vereeniging toegetreden , die ook buiten ons vak door zijn kunstzin en zijn letterkundigen aanleg schoone verwachtingen had opgewekt en J. Brave Wz. , vroeger lid der firma Weytingh & Brave. Deze werden ons door den dood ontrukt, terwijl de heeren J. M. ReijnhoUT en J. O. Schlömann de Vereeniging verlieteu om particuliere redenen, en de heer E. H. Tassemeijer volgens de bepalingen van het Reglement ophield lid onzer Vereeniging te zijn.

Zietdaar, Mijne Heeren, het verslag vau het in 't afgeloopen jaar door ons verrichte, hier achter zijn dc Rapporten der verschillende Commissien gevoegd; waaraan alleen dit van den Heer E. Muller , omtrent de Bibliotheek ontbreekt. Wij vertrouwen dat hij het in de eerstvolgende algemeene Vergadering zal meêdeelen, en onderwerpen een en ander aan Uw oordeel.

Het Bestuur, W. H. Kirberger. .1. H. Gebhard. J. C. Loman Jr, B. van Dijk. A. W. Sijthoff.

D. A. Thieme.

E. B. ter Horst.

Bijlage A.

Rapport van Commissarissen van het Ondemleuningsfonds.

Mijne Heeren !

Als onze Instelling haar waarde thans reeds moest bewijzen uit het belangrijke dat sedert de oprichting op haar terrein is voorgevallen , zou het gemis van sterksprekende feiten een welkom wapeu kunnen zijn in de handen van tegenstanders. Gelukkig echter ontleent zij haar waarde tot heden niet aan treurige gebeurtenissen,'dubbel treurig als die gepaard gaan met de noodzakelijkheid , om een beroep te doen op den bijstand van ons fonds; zij ontleent die waarde aan haar bestaan zelve, thans degelijk en voor goed gevestigd , en voor de toekomst rijke vrucht belovende, als welwillendheid slechts onvermoeid en zonder terugtred voortgaat, zoo als zij tot heden deed, ora de nog jeugdige plant met zorg te kweeken.

Ons rapport over het afgeloopene jaar is belangrijk, waar

Sluiten