is toegevoegd aan je favorieten.

Nieuwsblad voor den boekhandel jrg 69, 1902, no 84, 18-10-1902

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

5*0

NIEUWSBLAD VOOR DÉN BOEKHANDEL

Drukker ij- veiling. G. Theod. B om & Zoon, Amsterdam, 21 October 1902. Boek-, smout- en biljetdrukkerij «Excelsior», eene kleine smoutdrukkerij, en nieuw hoi-, label- en letterwit. Catalogus. 8°. (93 blz.).

BERICHTEN EN MEDEDEELINGEN, INGEZONDEN STUKKEN.

Concurreerende uitgaven. — In Nbl. n°. 82, blz. 498, ie kol., schreven we: »het, mogelijk door een der partijen geïnspireerde, artikel». Dit verwondert de O. H. Ct., te meer, daar we ons moeite gegeven hebben, om onzijdig te blijven, en zij verwacht dat we ons haasten zullen zullen, met deze voor de O. H. Ct. weinig vleiende onderstelling terug te nemen.)

Terugnemen, gaarne, nu die veronderstelling niet wordt bevestigd; maar met de verzekering, dat het schrijven van een artikel, op grond van inilchtingen, verschaft door een of meer personen, ons niet toeschijnt een laakbare handeling te zijn, wijl toch de steller, hetgeen men hem gezegd, vertoond heeft, aan zijn eigen oordeel toetst.

Een weekblad voor de leerlingen van gymnasia, hoogere burgerscholen en instituten zal onder den haam Parsifal, te beginnen met 1 Januari 1903, worden uitgegeven door de Hollandia-Drukkerij (Baarn).

De 316e.

Dezer dagen is van het antikwariaat der firma Martinus Nijhoff uitgegaan de 316e magazijncatalogus, waarvoor zeker niet vergeefs de bijzondere belangstelling zelfs van de aan lekkernijen meest verwende bibliofielen zal ingeroepen zijn, en evenmin de kans gering is, dat hij onopgemerkt blijft door de upper ten der openbare bibliotheken in de oude en nieuwe wereld, wier budget toelaat, van manuscripten, boeken, kaart- en prentwerken 't wetenschaplijk hoogste, of om de zeldzaamheid ook kostbaarst, aan te koopen tot gerief van elkeen, die er zijn kennis te verrijken zoekt.

Niet lang geleden nog heeft de |firma Nijhoff den liefhebbers een voorraad «Americana» uit haar magazijn vertoond. Dat zij andermaal thans een keus uit dergelijke rariora aanbiedt, zal wel verband houden met het feit der vestiging van een filiaal te New-York, schoon in deze vestiging mede het bedoelen ligt, voor de fondsen van Nederlandsche uitgevers vrijer baan te maken in de steden en staten van Amerika, waar Hollandsch wordt gelezen.

Echter, de »rare Americana» zijn maar den eigenlijken inhoud van Nijhoffs jongsten catalogus bijgegeven. Oost-Azië is het onderwerp der boekbeschrijving. Atlassen, tijdschriften, nieuwe, oudere en zeer oudere werken over Britsch-Indië, den Nederlandsch Oost-Indischen archipel, de Philippijnen vindt men er aangewezen met hooge en lage prijzen, een verscheidenheid die getuigt van goede koopmanschap. Het aanleggen en onderhouden van eene eigen boekerij behoort niet te zijn een weelde, die de veelvermogenden alleen izch kunnen veroorloven.

Ettelijke van de in den catalogus voorkomende titels uit het hoofd geleerd, kunnen iemand gauw 't air geven van een aardig woordje spaansch te spreken.

Wonder is hier niet, de anders in Nederland zeldzame verschijning van oude drukken uit Madrid, Sevilla, Valladolid, Alcala, Burgos, Saragossa; want, voor een deel, zijn de nu te koop geboden boeken en periodieken het eigendom geweest van een edelman uit het land des grandes en hidalgos, wiens naam prijkt op het titelblad.

De 316e catalogus kome «teregte, gelijk «alles» wat, naar 't hopen en gelooven van Martinus Nijhoff, vijftig jaar geleden, van zijn huis uitgaand, terecht gekomen is.

De oudste Gutenberg-type, volgens dr. Gottfried Zedler. Door Mr. Ch. Enschedé. (Vervolg).

Maar, zooals gezegd, dat alles daar gelaten, komt dr. Zedler met zich zelf in strijd. Want om aan zijn argument kracht bij te zetten, dat de 3oregelige Donaat van Gulenberg afkomstig is, wordt ons de 31 regelige Donaat als anti-gü ten bergiaansch afgeschilderd. En toch moet dr. Zedler wei aannemen, dat niemand anders dan Gutenberg ook dezen kan hebben gedrukt, daar de vervaardiging viel in de periode, toen de vennootschap met Fust nog niet ontbonden was. Die eerste aflaatbrief kwam, blijkens de daarop voorkomende geschreven data in October 1454 van de pers, de tweede in December van dat zelfde jaar. In nog geen drie maanden tijds heeft dus de bijkans zestig-jarige Gutenberg zijn nieuw drukkerijtje moeten oprichten en in dat zelfde tijdsverloop moeten aanmaken de stempels, de matrijzen en het gietsel van de letters van dien aflaatbrief, die bovendien ook nog door hern gedrukt is.

De sprekende letter van den 30 regeligen aflaatbrief, zegt dr. Zedler, is niet dezelfde als die van B42, ofschoon zij er sterk op gelijkt. Zou hier de schrijver niet tot dit besluit gekomen zijn omdat hij het zoo gaarne wil ? Zeker geloof ik, dat enkele letters een afwijking vertoonen, reeds dr. Schwenke heeft er op gewezen, maar, dat wij daarom met een ander schrift te doen hebben, zie ik nog niet in. Voor zoover de reproducties, die ter mijner beschikking zijn, het toelaten, ontwaar ik ook in B 42 onder dezelfde lettersoorten verschillen, die ik tot gietfouten meen te kunnen terugbrengen en zoo schijnt het mij ook wel mogelijk de afwijkingen te verklaren die de letter in den aflaatbrief aantoont. Maar zelfs, al ziet dr. Zedler juist en hebben wij hier werkelijk te doen met een aüder schrilt, dan nog houd ik het er stellig voor, dat dit drukwerk van Fust-Schoeffer afkomstig is, even zeker als de 30 regelige aflaatbrief, de drie kalenders en de beide Donaten op de tweede drukkerij van Gutenberg zijn tot stand gebracht. Want behalve de reeds bijgebrachte bezwaren is het ten eenenmale onbegrijpelijk, dat geen enkel drukwerk van die drukkerij, behalve de genoemde aflaatbrief dan, ons zou zijn overgebleven. En wekt het geen bevreemding dat Gutenberg als een eerste drukwerk kiest een aflaatbrief, die juist een paar maanden vroeger van zijn eigen inrichting verschenen was? Hoe lost dr. Zedler het raadsel op, dat voor de vijf eerste bladen van B 36 een andere copij is gevolgd, dan voor het overige deel, een getrouwen herdruk van B 42 ? En eindelijk, die nieuwe drukker, die zich in 1454 al te Mainz vestigde en zoo antiGutenbergiaans werkte, was zeker wel niet bij de vennootschap ter school gegaan! Maar waar had deze dan het vak geleerd, als wij de eenig bestaande inrichting voor hem gesloten houden? Waarlijk, we zouden over heel wat moeilijkheden struikelen als wij de geschiedenis gingen opbouwen op de grondstelling, dat Gutenberg de drukker is van B 42 en als wij uit dat reuzenwerk ons een denkbeeld wilden vormen van de drukkerstalenten van dezen eersten Mainzer typograaf.

Ten slotte waagt de schrij ver nog een poging om in den onbekenden drukker van 1454 reeds Albrecht Pfister te zien, dien wij later te Bamberg in het

bezit van de type van B 36 aantreffen en die waarschijnlijk, naar mijne opvatting, te Mainz onder Gutenberg is werkzaam geweest. Een aantal mogelijkheden worden te berde gebracht om die meening eenigermate te staven. Zoo geldt natuurlijk in de eerste plaats het latere bezit van die typen zelf, dan de litterarische omstandigheid, dat in den Turkenkalender en in den Cisianus het zuivere Mainzer dialect te wenschen overlaat, - alsof dat aan den drukker te wijten is. Het eigenaardige feit, dat Pfister, zelf geen lettergieter, bij de vervaardiging van het nieuwe materiaal voor B 36, de hulp van Gutenberg zou hebben moeten inroepen, terwijl deze hem over het gebruik van de hoofd- en nevenvormen geen inlichtingen zou hebben verschaft, maar hem in het zetten van zijn drukwerk aan zijn lot zou hebben overgelaten, wordt door dr. Zedler in het geheel niet besproken.

Stappen wij echter van dit onderwerp af en schenken wij thans onze aandacht aan het belangrijkste deel van de studie van dr. Zedler, waarin hij de techniek bespreekt door Gutenberg in practijk gebracht gedurende de eerste periode van zijn drukkersloopbaan.

Voor dat technische onderzoek gaat dr. Zedler uit van den kalender voor 1448. Proeven door hem en door den Frankforter lettergieter Hartmann, eigenaar van de bekende Bauersche Schriftgiesserei, genomen brachten aan het licht, dat mijne beschouwingen over de door Gutenberg gevolgde gietmethode volkomen juist zijn geweest, en dat de typen van den kalender, van B 42 en van de latere drukwerken met de letter van B 36 door »abklatschen» zijn verkregen. Dat Gutenberg verder voor het gieten gebruik maakte van looden matrijzen kan niet aan twijfel onderhevig zijn en evenmin dat hij zijn matrijzen vervaardigde door een in geelkoper gegraveerde lettertype in lood in te drukken. Behalve een verschil in waardeering van de deugdelijkheid der Abklatschmethode, dat als van geheel subjectieven aard thans ter zijde kan worden gelaten, vereenigt dr. Zedler zich niet geheel met de voorstelling, die ik van de geelkoperen type heb gegeven. De schrijver toch gelooft niet, dat Gutenberg als messingstempel bezigde een uit een metalen plaatje van ongeveer 2 nuM. dikte open gesneden letter. Hij kan het zich namelijk met verklaren hoe de boven de letter geplaatste afkortingsstreep aan de letter zelf verbonden is geweest zonder dat die verbinding in den druk zichtbaar werd. En het verkortingsteeken los tegelijk met de letter in het lood te persen gaat bezwaarlijk, omdat dan een verschuiving van een dier beide stempels aliicht het gevolg zou zijn geweest. Hij meent veeleer dat Gutenberg de letter op een messingstaafje graveerde en wel zoodanig dat het letterbeeld zich op het vlakke koper en reliëf vertoonde, een vorm van stempel streng te onderscheiden van den stalen lettergietersstempel, die over de geheele breedte en dikte van het staafje in het letterbeeld uitloopt. Bij het indrukken in het lood van een aldus vervaardigden stempel deed het grondvlak dezelfde diensten als mijn losse gladde metalen plaatje, dat boven op de achterzijde van de gegraveerde type werd gelegd, immers het hield het verdere indringen van het beeld in het lood tegen en het gaf tegelijkertijd een gladde oppervlakte aan de looden matrijs, hetgeen het lastige najusteeren overbodig maakte. Door deze methode van bewerking van den stempel, zegt dr. Zedler, bereikte Gutenberg, dat hij voor één en dezelfde lettersoort slechts één stempel noodig had, onverschillig of en welk teeken er boven kwam»