is toegevoegd aan uw favorieten.

Nieuwsblad voor den boekhandel jrg 69, 1902, no 85, 21-10-1902

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

nieuwsblad voor den boekhandel

517

al zijn deze nog zoo gebrekkig, ten dienste stonden, na afloop van den druk de pen zou opnemen, ten einde daarmee de ongerechtigheden te verbeteren, die zijn onvolmaakte kunst hem opleverde. Had Gutenberg hier werkelijk met pijnlijke nauwgezetheid gearbeid, dan zou hij zonder twijfel de moeite genomen hebben, die voor hem niet eens zoo heel groot was, om het type t met boogje in den nevenvorm aan te maken.

Ook wijst ons dr. Zedler (blz. 12) op allerlei kleine inconsequentien en abuizen. Na de letter f in den hoofdvorm komen verschillende typen nu eens in den hoofdvorm dan weder in den nevenvorm voor. Na f in den nevenvorm staat regelmatig de nevenvorm van de volgende type, terwijl in B 42 dit juist andersom is. Wel vergoelijkt de schrijver hier Gutenberg, door te verklaren dat deze destijds nog niet tot vaste regelen besloten was, maar mij dunkt een lettergieter-graveur, die zelf een systeem uitdenkt, zal wel niet langzamerhand tot vaste regelen geraken. En wat te denken van het feit, dat de eindletter van een zin invloed uitoefende op den vorm van de beginletter van een volgenden zin. Wanneer het beginsel, waarop de aanwezigheid van nevenvormen steunt, hierin gelegen is, dat alle loodrechte stokken van de letters in een woord evenver van elkander verwijderd waren, dan is een dusdanig gebruik van de verschillende lettervormen niet te verklaren bij iemand, die met »peinlicher Sorgfalt» hel zetwerk ter hand neemt Die onregelmatigheid is dan veeleer te wijten aan een van nature aangeboren slordigheid. Gutenberg had zonder twijfel uitnemende denkbeelden, maar als het op de uitvoering aankwam, schoot hij gewoonlijk te kort.

De kalender voor 1448, die zeker van Gutenberg afkomstig is, levert ook nog het onomstootelijk \ bewijs, dat zijn drukker zich er weinig aan gelegen liet liggen of alle regels even lang waren. Zeer te betreuren valt het, dat het einde der regels door den boekbinder, die het perkament voor den band van het Schönauer manuscript bezigde, is weggesneden. Maar dank zij de vernuftige reconstructie van den tekst, kan dr. Zedler ons nauwkeurig inlichten wat er gestaan moet hebben en zoo kunnen wij daaruit wederom de gevolgtrekking maken, dat de gelijke lengte der regels alles te wenschen overliet. Belangrijkus dan ook de vondst uit de Wiesbadener bibliotheek, want zij versterkt mij opnieuw in mijne meening, dat B 42 niet van Gutenberg afkomstig is, doch daarentegen wèl de latere kalenders en de beide Donaten met de type van B 36, die na 1454 van de pers verschenen. Dr. Zedler die een vereerder van Gutenberg is en die, gelijk wij gezien hebben, zijn beschouwing over diens drukkerspractijk bijna uitsluitend grondt op Gutenberg's vaderschap van B 42, moet het zeker verdroten hebben, dat zijn hoogst belangrijke ontdekking juist het tegenovergestelde bewijst, van hetgeen hij zoo gaarne zou willen. Maar ook is het te begrijpen, dat hij zich niet zoo terstond uit

het veld laat slaan en vergoelijkend optredend, zegt hij: sFreilich ergibt die Rekonstruktion des Zeilenschlusses der anderen Monate» (alieen bij April kwam de regellengte tamelijk wel uit) keineswegs annahernd so gunstige Resultate, sodasz es wohl sicher ist, dasz, wenn auch das Streben nach einem einigermasze leidlichen Zeilenabschluss vorhanden war, doch jedenfalls die Konsequenz und das Geschick mit der lctzteren in der 42 zeiliger. Bibel mehr und mehr durchgeführt ist, noch fehlten.» En zelfs van dat streven geloof ik niets.

Is het werk van dr. Zedler van gewicht voor de geschiedenis van de boekdrukkunst in haar jongsten tijd en kunnen wij nu vaststellen, dat de type van B 36 dc oudite Mainzer boekdrukletter is, op buitengewoon scherpzinnige wijze heeft de kundige schrijver tevens aangetoond dat de 27regelige Donaat, waarvan de peikamenten brokstukken, vroeger voor den band van een rekeningenboek gebruikt, te Parijs worden bewaard, het oudste thans bekende drukwerk van Gutenberg is. Aan dit betoog is het tweede hoofdstuk van zijn studie gewijd en al mag ik niet verzwijgen, dat ook hier de meening, als zou Gutenberg de drukker en de verzorger van B 42 zijn, den onvermoeiden onderzoeker wel eens op een dwaalspoor brengt, zoo gevoel ik mij verplicht van mijn bijzondere ingenomenheid met dezen arbeid te doen blijken en als mijn overtuiging uit te spreken, dat dit hoofdstuk een van de belangrijkste is, die in de Gutenberg-litteratuur ooit zijn geschreven.

Over den 27 regeligen Donaat dan weet ons dr. Zedler bijzonder veel merkwaardigs mede te declen en wel in de eerste plaats, dat de tot nu toe bestaande afbeeldingen niet alleen geen getrouwe nabootsing van het origineel zijn maar er zelfs volstrekt niet op gelijken. De plaat in Duverger's Histoire de 1'invention de 1'imprimerie schijnt meer vervaardigd met het oog om toe te lichten hetgeen de schrijver uit het oorspronkelijke meende te moeten afleiden dan wel om den lezer in de gelegenheid te stellen de juistheid van Duverger's beloog aan de reproductie ie kunnen toetsen. En voor de afbeelding van den Donaat in v*an der Linde's Erfindung der Buchdruckerkunst is niet hei origineel van de Nationale Bibliotheek te Parijs, maar de allerslechtste reproductie uit het werk van Duverger tot model genomen. Geen wonder dus, dat men tot nu toe over dezen Donaat de meest dwaze beschouwingen heeft vernomen en dat ik in mijn «technisch onderzoek» den druk van dit werk toekende aan Gutenberg, zooals hij in het tijdperk na de ontbinding zijner vennootschap met Fust het bedrijf uitoefende. Wij moeten dr. Zedler dank weten niet alleen voor de uiterst zorgvuldige wijze, waarop hij, het oorspronkelijk drukwerk voor oogen, dit oudst bekende produkt der Mainzer typographie behandelt, maar ook voor de moeite door hem genomen om in lichtdruk een zoo getrouw mogelijke 1 reproductie aan zijn belangrijke studie toe te voegen.

Met die afbeelding vóór ons kunnen wij den scherpzinnigen schrijver veel toegeven van hetgeen hij ons omtrent de oudheid van dezen Donaat mededeelt. Zoo kunnen wij met hem constateeren, dat het lettergieten door Gutenberg destijds nog tamelijk onbeholpen werd uitgeoefend. De linie van het letterschrift is buitengewoon slecht en ook de dikte en hoogte der letters schijnt bij dit drukwerk meer dan bij het andere te wenschen over te laten. Zelfs lijkt het mij met dr. Zedler toe, dat meermalen een matrijs gebezigd is, die niet nauwkeurig het tegenbeeld van de gegraveerde type bevatte en ook kan ik toestemmen, dat het gielmateriaal zich in den allerprimitiefsten toestand bevond.

Maar dat daarin nu ook de oorzaak zou schuilen, waarom de letterhoeveelheid zoo uiterst gering is, kan ik niet inzien. Toch is het interessant dr. Zedler in deze zijne beschouwing te volgen. Want zonder twijfel is van de verschillende eigenaardigheden die het zetwerk van den 27regeligen Donaat aanbiedt wel een van de merkwaardigste, dat de bovenhelft der bladzijden ruim voorzien is van afkortingstcekens en ligaturen, terwijl de onderhelft of in het geheel geen of opvallend weinig van die teekens bevat. Nu weet de heer Zedler ons uit te leggen, dat de Donaat bladzijde voor bladzijde is gedrukt en dat Gutenberg waarschijnlijk niet meer typen in voorraad had, dan strikt genomen voor ééne bladzijde noodig was. Het gieten van de letter schijnt voor hem dus een buitengewoon moeilijke arbeid te zijn geweest. Eerst tijdens de vervaardiging van de letter van B 42 is het lettergieten een belangrijke schrede vooruitgegaan en was een ruime hoeveelheid van de voor dien Bijbel benoodigde letter op de drukkerij aanwezig. De type voor B 36 was eveneens in een genoegzaam quantum gegoten, doch voor den kalender van 1448 en ook voor de latere drukken na 1454, die met dezelfde typen gedrukt zijn, had — reeds dr. Schwenke heeft hierop de aandacht gevestigd — de zetter heel weinig materiaal tot zijn beschikking. Op uiterst vernuftige wijze toont dr. Zedler dit aan en beroept zich daartoe op de bladen van den te Londen berustenden 27regeligen Donaat. Op een van de bladzijden van dien Donaat komt de lettergreep do 76 maal voor, waarvan 33 maal als ligatuur. Op een voorafgaande bladzijde komt die lettergreep 86 maal voor, maar ook niet meer dan 33 maal in ligatuur. Op een volgende bladzijde, die slechts 14 maal de lettergreep do heeft, zijn alleen ligaturen gebezigd, zoodat de gevolgtrekking kan gemaakt worden, dat niet meer dan 33 ligaturen do in de zetkast aanwezig waren en dat de vorm van een bladzijde gedistribueerd was, alvorens met het zetten van een volgende werd begonnen. Met meer voorbeelden o.a. ook uit den 30 regeligen Donaat licht dr. Zedler dit nog nader toe.

{Slot volgt.)

ADVERTENTIEN

I

1 :„ oor, r.vr,,n„i-;pst!irlie. wenscht een kan¬

toorboekhandel te openen en zou genegen zijn als vertegenwoordiger van een firma in kantoorboeken en kantoorartikelen op te treden.

Brieven franco onder het Nr. dezer Adv. aan het Bureau van dit Blad. [3891]

J. M. STAP, te Haarlem, vraagt zoo spoedig mogelijk een flink BEDIENDE. — Salaris f*00.— Brieven, met goede ref. en liefst met portret, direct per post. L3892J

In den Boekhandel van J. JUKKERS DEKKER N. Spiegelst. 39 Amsterdam, kan direct een AANKOMEN U als »de BEDIENDE geplaatst worden. Salaris naar bekwaamheid. [3893]

In een algemeenen boekhandel met drukkerij wordt zoo spoedig mogelijk gevraagd een BEI>!>ÏN1>K van de G. G. Salaris / 35.— per maand. Kennis van moderne talen gewenscht. Brieven fr. onder het Nr. dezer Advert. aan het Bureau van dit Blad

.3894]

i

COMPAGNON.

Een uitgebreide boekhandel en uitgeverszaak in een der grootste steden in Nederland vraagt, wegens uittreding van een der vennooten, een JONGMENSCH, volkomen met beide branches vertrouwd en financieel in staat na overeen te komen termijn als compagnon op te treden.

Brieven franco onder het Nr. dezer Advertentie aan het Bureau van dit Blad. Lj89S]