is toegevoegd aan uw favorieten.

Caecilia; algemeen muzikaal tijdschrift van Nederland jrg 72, 1915 [volgno 12]

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

daar in den toren nieuwe vloeren zoodanig zijn aangebracht, dat de draden, die tusschen de planken vastgeklemd zitten, de bespeling van het carillon vrijwel onmogelijk maken. Liever dan alle musikale beteekenis aan de klokken en klokjes te ontzeggen, en ons te verliezen in een dikwijls geestige, maar vaak onbillijke klokkenkwaadsprekerij, wil ik er hier met een enkel voorbeeld op wijzen, dat musici van groote beteekenis ze hebben opgenomen in de muzikale instrumentatie. Het timbre van hooge klokjes heeft iets naïefs en boersch, dat hen vooral geschikt maakt bij godsdienstige en landelijke scènes. In het koorvan de tweede acte „Wilhelm Teil" heeft Eossini een klein hooggestemd klokje gebruikt, terwijl Meyerbeee ze bracht in de vierde acte van de Hugenoten om het teeken te geven voor den moord op de protestanten, evenals Verdi zware klokken laat klinken in de Miserere van zijn Trouvère, Er is een heele litteratuur, die de klokken verheerlijkt, waarin men de klokken laat medevoelen met het wel en wee der menschheid. Chateaubriand laat ze zuchten en „trillen van vreugde". Henry Wadswobth Longfellow heeft naar ze geluisterd „in the ancient town of Bruges" en bezong wonderbaar schoon de klokken in zijn „Golden Legend". Lamartine heeft in de hymne van „Le Poète mourant" de volgende regels geschreven: L'airain retentissant dans sa haute demeure Sous le marteau sacré tour a tour chante et pleure Pour célébrer 1' hymen, la naissance et la mort" terwijl Jean Aicaet in een sonnet, „La dernière heure", geschreven op den eersten December 1878 te Botterdam en opgedragen aan A. M. A. G. C. van Duijl, ontroerd door den klokkenzang, dichtte:

lis chantent, les clochers, gaimant dans ta patrie Tes clochers hollandais n'ont pas pour sonnerie Nos glas qui dans le ciel roulent comme des pleurs. Ze zullen zingen, de carillons van ons vaderland, schooner en machtiger, dan ooit te voren. We hebben „schoone klokskes", dit getuigde Denyn overal, waar hij de torens besteeg en de klokken „proefde", we hebben ook goedklinkende klokkenspelen en we hebben thans in ons midden een man, die als een erkende autoriteit op het gebied van de beiaardconstructie leiding en technische voorlichting kan geven .... een hoogstaand kunstenaar tevens, die zich als de meestér-beiaardier van Mechelen een wereldnaam heeft verworven en we bezitten eveneens een der machtigste factoren voor de waardeering van de blijde klokkenzangen, want het is in ons land vrede .... Daarom is het thans den tijd belangstelling in breede kringen op te wekken voor ons nationaal speeltuig bij uitnemendheid — het carillon —. Die belangstelling ook te brengen in de kringen van op muziekgebied zoo zeer bevoegde Caecilia-lezers was mijn doel bij het schrijven van dit artikel, dat ik niet sluiten wil zonder tot u gericht te hebben een „veroordeelt niet, voor ge oordeelen kunt". En om zulks objectief te kunnen moet ge Jef Denyn hooren spelen op den Arnhemschen beiaard, die naar zijn inzichten en onder zijn leiding zal gewijzigd worden. Wanneer hij er het eerste concert zal geven? Wel op den 30sten April 1916, de geboortedag van ons koninginne-kind van Juliaantje. Dan zal Denyn den beiaard inwijden en zullen duizenden het in Arnhems heerlijke omgeving kunnen hooren, wat Annie Salomons in „Lenteklokken" zong: Nu luiden juichend alle torenklokken en stort de lente over 't lage land . . .

358