is toegevoegd aan je favorieten.

Tijdschrift voor Neerland's Indië jrg 14, 1885 (2e deel) [volgno 3]

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

138

op de met kort gras bedekte vlakten, schijnt eer gunstig dan nadeelig te werken op hunne ontwikkeling, doch heeft dit bezwaar, dat diefstal van paarden veel voorkomt en dat in drooge jaren, zooals het afgeloopene, honderden paarden aan gebrek omkomen. In zulke jaren worden alle paarden van mindere waarde en de zieke, gewonde of voor de voortteeling ongeschikte beesten gedood, ten einde meer voedsel voor de overigen te behouden. In het afgeloopen jaar was de sterfte zeer groot, niet alleen onder de paarden, maar ook onder de karbouwen."

Dat de paardenuitvoer voor Timor inderdaad niet zonder beteekenis is, blijkt uit het koloniaal verslag van '80, waarin wordt gezegd, dat de waarde der in 1879 uitgevoerde paarden, meest naar Java en Mauritius, geschat wordt op ongeveer / 350.000. Voor eigen gebruik slacht de bevolking zoo wel paarden, als karbouwen en schapen.

Het volgende jaar bedroeg de uitvoer van paarden uit Soemba slechts 2000 stuks, die ook weder grootendeels naar Java en Mauritius werden overgebracht. Deze handel is voornamelijk in handen van Boegineezen en Arabieren; in 1880 besteedden zij gemiddeld f 100 per paard.

Mijnbouw. De groote verwachting, die Paravicini omtrent de mineralogische rijkdommen van Timor heeft opgewekt, hebden zich, zooals wij vroeger ook reeds de gelegenheid hadden op te merken, nog altijd niet verwezenlijkt. Wel werd in 1820, door een rapport van den heer Kruseman, die Timor als commissaris had bezocht, vooral met het doel om den staat des handels en der nijverheid te onderzoeken en middelen te beramen tot herstel voor 't minst van het evenwicht tusschen inkomsten en uitgaven, en waarin hij ook een uitvoerig gewag maakte van de op Timor op verschillende plaatsen voorhanden koperaderen, die zaak wel weder eenigszms op de voorgrond gebracht, evenwel zonder praktisch gevolg.