is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijdschrift voor Neerland's Indië jrg 14, 1885 (2e deel) [volgno 5]

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

248

ring, souvereiniteitsrechten over dat eiland hebben gemeend te kunnen doen gelden. Zoo ergens dan komt ook hierin weder scherper en snijdender als ooit aan 't licht, het ongenoegzame, en uit een staatkundig, humaan en oeconomisch oogpunt beschouwd, onhoudbare, van het nu weder te Buitenzorg meer als ooit in bescherming genomen stelsel van onthouding. Vooral uit dat oogpunt beschouwd is het een niet genoeg te waardeeren bijdrage, waaruit wij ons zullen verloven enkele punten op nieuw te releveeren, om de facto in 't licht te kunnen stellen, dat die staatkunde van onthouding, ook zelfs in ons wel begrepen eigenbelang, hoe eer hoe beter moet worden vaarwel gezegd. Wij voelen ons hiertoe te meer geroepen, omdat wij onder het licht, dat de heer Boos over dien duisteren en donkeren uithoek van den Nederlandsch Indischen Archipel heeft ontstoken, met meer vrucht de koloniale verslagen kunnen volgen en de maatregelen — immers voor zooveel zij genomen en daarin geregisteerd zijn — beoordeelen, die de Nederlandsch Indische regeering in de laatste jaren noodig geacht heeft ook ten opzichte van Soemba c. a. te nemen.

Dat Soemba, ook wat zijn grootte aangaat, ver van onbeteekenend moet worden geacht, springt in 't oog als men weet dat alléén het eiland een oppervlakte inneemt van 251 Q geografische mijlen, dat is met andere woorden, meer ruimte beslaat dan de vijf provinciën: Friesland, Groningen, Drenthe, Overijsel en Utrecht. Deze taxatie van Soemba's uitgebreidheid, hebben we ontleend aan een beschrijving van Dr. J. J. de Hollander. Maar het is zeer waarschijnlijk dat dit eiland nog aanmerkelijk grooter is, zooals uit een kaart door den heer Boos bij zijn bijdrage overgelegd, kan worden opgemaakt. Zijn de gegevens, door genoemden ambtenaar bij het samenstellen er van gebruikt, juist geweest — en wij hebben alle reden ze meer te vertrouwen dan die welke het hydrografisch bureau te Batavia ter zijner beschikking heeft gehad — dan komt het ons voor dat men zonder overdrijving, voor de uitgestrektheid, die de heer Boos blijkbaar met zaakkennis en