is toegevoegd aan je favorieten.

Tijdschrift voor Neerland's Indië jrg 14, 1885 (2e deel) [volgno 5]

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

293

persoonlijk den zelfbesturenden hoofden van Endeh en Soemba onder het oog te brengen, dat zij gevaar loopen zich de ontevredenheid van het gouvernement op den hals te halen, wanneer zij den handel in menschen en den in- en uitvoer van slaven niet krachtig tegengaan, waartoe de met het gouvernement aangegane contracten hen de verpligting opleggen."

Men ziet het; te Batavia is het plan opgevat om met Endeh korte wetten te maken. Trouwens het artikel in het Dagblad van Nederlandsch Indie, waarop wij zooeven doelden had de puntjes al te zeer op de i's gezet, om er nu nog langer het zwijgen toe te doen. Wel is het nog tot geen directe oorlogsverklaring gekomen, maar de voorwaarden die gesteld werden, zouden spoedig blijken voor de Endehneezen niet aannemelijk te zijn. Den belangrijksten tak in hun handelsverkeer, den handel in menschen, met het uit dat oogpunt vooral zoo productieve Soemba, er aan te geven, zou te veel van de Endeneesch menschelijke natuur gevergd zijn, en dat te meer, omdat een andere belangrijke en niet minder voordeelige tak van koophandel, en wel die in kruid en lood, zooals nu verder uit het verslag blijkt, er in zijn hartader door zou worden getroffen. ,,Daar kruid en vuurwapenen bij dien menschenhandel voornamelijk als ruilmiddel dienen en het bezit dier artikelen niet alleen het plegen van onderlinge vijandelijkheden, maar ook den daarmede gepaard gaanden menschenroof in de hand werkt, zou de resident aan de bedoelde hoofden al verder de wenschelijkheid moeten voorhouden om in hun gebied den in- en uitvoer van oorlogsbehoeften te verbieden, hen daarbij tevens in kennis stellende met de verbodsbepalingen die voor het regtstreeksch gouvernements gebied in geheel Nederlandsch Indie waren uitgevaardigd bij Indisch Staatsblad 1876, n°. 302."

Dat het den Endehneezen moeilijk zou vallen dezen zeer eigenaardigen ruilhandel zoo klakkeloos maar op te geven, zal wel geen nader betoog behoeven. Intusschen werd nog een laatste preventieve maatregel, om den vrede te bewaren,