is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijdschrift voor Neerland's Indië jrg 14, 1885 (2e deel) [volgno 6]

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

344

boord van het ramtorenschip Koning der Nederlanden verscheen, had de uitreiking der Nederlandsche vlag dan ook aan de oudsten te Erona plaats, die haar daarop onmiddellijk heschen. Hetzelfde had plaats te Kolano, nadat de oudsten was bekend gemaakt dat het landschap, ingevolge het verdrag met Portugal, sedert 1860 onder Nederlandsch gezag stond.

De radja van Batoelolong, die reeds vroeger ons gezag had erkend, verscheen te Erona voor den resident, die bij die gelegenheid, na eerst nader met zijne verplichtingen bekend te zijn gemaakt, door den resident in zijne waardigheid erkend en bevestigd werd.

De radja van Allor, die vroeger op Poeloe Kambing in eenige kampongs gezag had uitgeoefend, werd opnieuw aanbevolen om aldaar geen belasting meer te heffen, als ingevolge bovengenoemd verdrag nu onder Portugal behoorende.

Hiermede was dus eindelijk de souvereiniteitserkenning, noodig geworden door de reeds feitelijk 26 jaar vroeger tot stand gekomen grensregeling tusschen de beide betrokken gouvernementen, een fait accompli geworden. Waarvan de Nederlandsch Indische regeering, in zake het met Portugal gesloten verdrag, dan ook kan worden beschuldigd, toch zeker niet daarvan, dat zij zich al te zeer gehaast heeft om het tot een voldongen feit te maken.

In het algemeen sprekende over de Solor- en Allor-eilanden, zegt dat zelfde verslag ('80) nog dat de toestand er over het algemeen gunstiger is geworden, sedert aan de radja's der strandnegorijen verboden is hulptroepen van Timor of elders te ontbieden om de bewoners der binnenlanden tot onderwerping te brengen. „ Nu en dan echter vinden nog binnenlandsche oorlogen plaats, en ook de uitvoer van in het binnenland geroofde menschen heeft nog niet geheel opgehouden, ofschoon het bestuur geen gelegenheid verzuimt om dit bedrijf tegen te gaan. Voornamelijk lagen de radja's van Lamahala op Adonare en van Koemi en Kolona op Allor onder verdenking dat zij den menschenhandel begunstigden,