is toegevoegd aan je favorieten.

Tijdschrift voor Neerland's Indië jrg 14, 1885 (2e deel) [volgno 6]

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

851

zocht, bleek het dat de getroffen regeling door alle partijen geëerbiedigd werd. Benige medegebrachte Nederlandsche wapenborden werden, in bijzijn van dien hoofdambtenaar, met de noodige plegtigheid langs de nieuwe grenslijn opgesteld.

Ook Savoe ontving dat jaar een bezoek van het hoofd van gewestelijk bestuur, waar toen de beste verstandhouding tusschen de verschillende regentschappen viel te constateeren. De aldaar gevestigde christenzendeling bestuurde 5 scholen, welke alle goed bezocht werden, evenals de gouverneinentsschool ter hoofdplaats Seba.

In het koloniaal verslag van het volgende jaar (1878) vernemen wij reeds dat de toen pas geëindigde geschillen over de grensregeling op Rotti — en dat wel ondanks de Nederlandsche wapenborden — opnieuw tusschen de aangrenzende rijkjes Dengka en Oenale, doch nu weder eens over een erfenis, andermaal waren opgeflikkerd, maar gelukkig zonder moeite konden worden bijgelegd. En zegt het verslag verder: „ De tot stand gekomen bepaling van het gebied der verschillende rijkjes op dit eiland levert eenigen waarborg op, dat de grensgeschillen de rust niet meer op ernstige wijze zullen verstoren. Over het algemeen steekt het gehalte der Rottinesche hoofden gunstig af bij de ruwheid en onbeschaafdheid der meeste overige radja's van den Timor-Archipel, hetgeen onder anderen ook hieruit blijkt, dat thans reeds vijf zonen van Rottinesche radja's op de kweekschool te Amboina tot onderwijzers worden opgeleid. Bij een van 's Residents reizen naar Rotti bezocht hij ook het nabijgelegen eilandje Dao, werwaarts dé radja en fettors werden teruggebracht, die hem bij zijn aanwezen op Rotti waren komen verwelkomen."

Dao, wordt in een noot gezegd, is als 't ware een zandplaat, waar — behalve eenig heidekruid — alleen kokos- en toemak-palmen welig groeien. Het wordt bewoond door eene bevolking van 700 a, 800 zielen. De mannen zijn allen goudsmeden, die op gezette tijden, namelijk bij den aanvang van de oostmoesson, het eiland verlaten om op hun ambacht te