is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijdschrift voor Neerland's Indië jrg 14, 1885 (2e deel) [volgno 6]

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

383

van de ingenieurs, scheikundigen, houtvesters en warenkenners, die zij naar ginds heeft afgevaardigd. Het geschil tusschen Duitschland en Spanje over de Carolinen-eilanden is voor haar eene zaak van groot belang.

De tweede kolonisatie-groep is de Duitsche Oost-Afrikaansche maatschappij. Deze heeft het meest van zich doen spreken. Zij heeft de meeste militaire personen in dienst, wordt door invloedrijke hoog-conservatieven ondersteund, en schijnt over zeer ruime geldmiddelen te beschikkèn, zonder dat het profane publiek weet vanwaar die komen. Voor haar heeft het rijk in materieele aangelegenheden tot nogtoe het meest gedaan, daar ten haren behoeve de demonstratie der Duitsche oorlogsvloot aan de kust van Zanzibar heeft plaats gehad, terwijl nu ook alle schikkingen zijn gemaakt om het geheele sultanaat Zanzibar langzamerhand onder Duitsche bescherming te brengen. Tot nogtoe heeft deze maatschappij aan de oostkust van Afrika een gebied van ongeveer 6000 vierkante Duitsche mijlen verworven; dat wil zeggen: hiertoe de noodige tractaten met de inlandsche hoofden gesloten. Een dertigtal blanken zijn als hare gevolmachtigden met het daarbij behoorende inlandsche personeel daar ginds werkzaam om er de macht en het gezag der maatschappij te bevestigen, stations aan te leggen, kortom : de onderneming ter plaatse te organiseeren. Eeeds zijn er vijf stations geopend, benevens een centraal-station op het eiland Zanzibar zelf. De maatschappij geeft aandeelbewijzen van 5000 mark uit en tracht welgestelde landbouwers, die derwaarts zouden willen verhuizen, als zelfstandige planters op haar gebied bijeen te brengen. Zij is voornemens, van de omwonende slavenhandelaren de gevangen slaven op te koopen, die alsdan terstond „in beginsel" vrij, maar verplicht zullen zijn op eene aangewezen plaats te wonen, ten einde aldaar in eene matig begrensde afhankelijkheid aan de cultuur te werken. Zij worden dus in zekeren zin lijfeigene boeren.

Als nevens deze tweede groep staande kan de Duitsche