is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijdschrift voor Neerland's Indië jrg 15, 1886 (1e deel) [volgno 2]

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

10

ger uit handen van het gouvernement ontvangt voor de door haar aan den lande geleverde koffie, want gemiddeld bedraagt de gouvernements koffieoogst in de Preanger 160.000 picols per jaar (Koloniaal verslag van 1884, bis?. 165), waarvoor tegen ƒ 14 per picol slechts ƒ2.240.000 aan de bevoikine ten goede komt, natuurlijk voor oneindig meer en drukkender arbeid.

Het zijn juist deze ondernemingen die de zwaarste lasten hebben te torschen en voor wie de strijd om het bestaan het hardst is. De „Memorie" zegt omtrent dit punt:

„ Onder de belemmeringen, die de particuliere landbouwnijverheid hier op haren weg ontmoet, staan de zware fiscale lasten, waaronder zij gebukt gaat, bovenaan; doch in dit opzicht vooral ware het verkeerd om te veel te generaliseeren. Een zeer waar woord werd met betrekking tot dit punt gesproken door den heer Insinger, toen hij onlangs in de Eerste Kamer met nadruk te velde trok tegen „de uitgaande rech„ ten en eenige andere lasten, die thans loodzwaar drukken „op den particulieren landbouw." „Met particulieren land„bouw," zeide hij, „bedoel ik niet, althans niet in de eerste „ plaats, de suikerindustrie. De afschaffing der uitgaande „rechten zou ook haar ten nutte komen, en op die verlichting mag zij zeker wel aanspraak maken in de moeilijke „crisis die zij doorleeft, en die grootendeels is veroorzaakt „door de premiën, die andere gouvernementen aan den uit„ voer toekennen, maar overigens is zij, geloof ik, niet te „zwaar belast; maar het zijn de andere landelijke onder„ nemingen, de erfpachtslanden, die door een overdreven, „ misschien nergens geëvenaarde fiscaliteit worden getroffen."

„Inderdaad, wanneer het uitvoerrecht op suiker zal zijn afgeschaft, en een eind zal zijn gemaakt aan de werkelijk door niets gemotiveerde heffing van ƒ 25 per bouw van de gronden gebezigd voor den geheel vrijwilligen aanplant van riet bestemd ter verwerking in fabrieken, wier eigenaren nog met het gouvernement in contract staan, niettegenstaande