is toegevoegd aan je favorieten.

Tijdschrift voor Neerland's Indië jrg 15, 1886 (1e deel) [volgno 3]

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

129

dienst van die Universiteit mag wijden. Ik buig eerbiedig voor de meerderheid van vele mijner ambtgenooten, maar waar het te doen is om het recht en het belang van onze Universiteit te verdedigen, laat ik mij door niemand van mijne plaats dringen. Eischen wij nu echter te veel wanneer wij vragen dat men ons zegge: vooreerst welk wetenschappelijk belang bij het behoud onzer Indische school betrokken is en ten andere op welken grond men aanneemt dat handhaving van dat belang tot de taak van deze gemeente behoort? Op deze vragen een duidelijk antwoord te ontvangen zou ons bij uitstek welkom zijn. De ernstige wetenschap wordt niet door phrases en toasten gediend, maar door argumenten.

Ik heb hooren gewagen van de strenge plichten, welke Nederland als koloniale mogendheid ook op wetenschappelijk gebied te vervullen heeft. Niemand, Mijnheer de Voorzitter, is meer dan ik geneigd die plichten te erkennen; maar mag ik vragen: vooreerst of de plichten van Leiden dan synoniem zijn met die van Nederland en ten andere of ons vaderland in het vervullen van die verplichting zoo verre te kort schiet? Wanneer was — om alleen maar van deze Universiteit te gewagen —■ de oostersche letterkunde ooit zoo sterk vertegenwoordigd in onze litterarische faculteit als juist thans, zoo rijk aan mannen die de belangen van de wetenschap ook op koloniaal terrein zoo krachtig voorstonden ? Ik zal geen namen noemen, al ware het slechts omdat ik dat niet zou kunnen doen zonder ook namen van aanwezigen te vermelden, maar mij bepalen tot de opmerking, dat onze litterarische faciliteit waarlijk de hulp der gemeente niet behoeft om zich naar eisch van hare wetenschappelijke plichten te kwijten.

Maar nu het wetenschappelijk belang van onze Indische Inrichting zelve, waarin bestaat dat eigenlijk ? Toch niet daarin dat zij jongelieden, bestemd om als ambtenaren tweede klasse in de koloniën te dienen, voor het staats-examen opleidt. Aan het praktisch belang van die opleiding twijfelt niemand, maar waarin ligt hare eigenlijke wetenschappelijke beteekenis? ftat