is toegevoegd aan je favorieten.

Tijdschrift voor Neerland's Indië jrg 15, 1886 (1e deel) [volgno 4]

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

.75

tollig." Maar zijn en worden hare lessen dan niet ook door zoons van Leidsche burgers gevolgd? En kan men eene instelling, die gedurende de weinige jaren van haar bestaan een betrekkelijk groot aantal harer kweekelingen tot ambtenaren bevorderd heeft gezien, „overtollig" noemen? Dan toch alleen in dezen zin, dat, indien zij er niet geweest ware, haar werk door anderen zou zijn verricht. Maar hoeveel is er dan niet overtollig in de wereld? Het ziet er met de meeaten, menschen en inrichtingen, slecht uit, wanneer te hunnen aanzien wordt gevraagd, niet of zij zich goed van hunne taak gekweten hebben, maar of die taak ongedaan zou zijn gebleven, indien zij niet hadden bestaan.

Ook over de vraag, of de opheffing van de instelling op ons bevolkingscijfer invloed zal hebben, slechts één woord. Prof. Huet hoopt, dat de meeste docenten tot onze medeburgers zullen blijven behooren. Maar is het dan voor de beslissing, of men te Leiden blijven zal, onverschillig, welke betrekking men daar bekleedt? En rekenen de geleerden, die uitsluitend door de Instelling aan Leiden verbonden zijn, niet mede? Ik houd mij verzekerd, dat ook professor Huet hen met groot leedwezen zou zien vertrekken.

Doch nu de hoofdzaak. Ieder erkent, dat Nederland verplicht is zijne koloniën, inzonderheid den Oost Indischen Archipel, te kennen, ja zelfs aan den opbouw der koloniale wetenschap — zooals wij haar kortheidshalve noemen mogen — een goed deel zijner krachten te wijden. Maar zal aan dien eisch worden voldaan, dan moet ook aan hen, die de koloniale wetenschap beoefenen, een werkkring en een bestaan verzekerd worden. Slechts weinigen kunnen hun leven aan de studie besteden zonder daartoe op die wijze te worden in staat gesteld. Wie dus voor den man van studie hier te lande een werkkring opent, bevordert ongetwijfeld de wetenschap. Hij doet dat dubbel, wanneer hij hem in de gelegenheid stelt, niet alleen om zelf voort te arbeiden, maar ook om de kennis, die hij zich reeds verworven heeft, aan anderen mede te deelen.