is toegevoegd aan je favorieten.

Tijdschrift voor Neerland's Indië jrg 15, 1886 (1e deel) [volgno 4]

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

191

Leiden nog een hoogere en dringender roeping heeft; wij moeten toch niet vergeten, hoeveel onze stad aan de wetenschap te danken heeft en welke directe en indirecte voordeelen zij reeds eeuwen ,daarvan genoten heeft. Mag dan zulk een stad, die, wat deze voordeelen betreft, boven alle andere in Nederland staat, zich niet eene opoffering getroosten ? Men zal niet kunnen ontkennen, al is de Indische Inrichting geen faculteit van wijsbegeerte en letteren, dat van haar mannen zijn uitgegaan, bekwaam voor hun vak en die in de Indiën werkzaam kunnen zijn en bijdragen kunnen leveren tot vermeerdering van de kennis onzer koloniën, waaraan wij nog altijd groote behoefte hebben. Had men toch In 1872 Groot Atjeh beter gekend, men zou bf die roekelooze oorlog niet zijn begonnen of deze anders hebben aangepakt. Die daad was mede ook een gevolg van onze geringe bekendheid met dat gedeelte van Sumatra en mogen wij, als Academiestad, nu niet iets bijdragen om dekennis van onze koloniën te vermeerderen?

Ik kan daarom, Mijnheer de Voorzitter, niet meegaan met het voorstel van de geachte drie leden, ofschoon tot mijn leedwezen. Ik heb toch erkenning voor elke poging, die wordt aangewend om te bezuinigen en de lasten van mijne mede-ingezetenen te verlichten en te verminderen.

Ik kan mij begrijpen, dat de voorstellers, onder den indruk van de hooge belastingen, die op onze ingezetenen rusten, hun voorstel ingediend hebben. Men heeft het cijfer van ƒ166000 voor onderwijskosten genoemd, en dat is een zware, een te zware last voor de ingezetenen. Maar niettegenstaande dit alles kan ik de Indische School niet tot den zondebok maken. Indien ik, Mijnheer cle Voorzitter, er al de lasten van het openbaar onderwijs op kon laden, ik zou mijne hand ook tusschen de hoornen van dien bok leggen, en hem henenzenden naar de woestijn. Maar nu men enkel de Indische school wil doen boeten, trek ik mijne hand terug. Ik zal daarom tegen het voorstel van de heeren Buys c. s. stemmen. Ik doe dat niet zonder hoop, dat de bezwaren, die den bloei