is toegevoegd aan je favorieten.

Tijdschrift voor Neerland's Indië jrg 15, 1886 (1e deel) [volgno 5]

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

249

ten. Ik herinner mij een gentleman van hooge positie en groot vermogen in het Madras Presidentschap ontmoet te hebben, die in zijn jeugd een geestdriftig bewonderaar was van al wat Engelsch heet. Hij was een Brahmin van geboorte en wel van de strikste kaste; hij schond al de regels zijner, kaste toen hij er op stond, op zijn twintigste jaar, zijne opvoeding in Europa te gaan voltooien. Hij was zelfs zoo ver gegaan van zijn eigen geloof te verzaken en tot de Anglikaansche kerk toe te treden. Hij keerde naar Indie terug en trouwde er eene Christen lady, en leefde verder met haar op Engelsche wijze, als een Engelschman in een Engelsch huis. Natuurlijk had hij veel te lijden door zijn breken met het geloof en de gewoonten zijner voorvaderen, en zijne positie tegenover zijn eigen volk was alles behalve aangenaam, hoezeer hij schijnbaar daarmede op goeden voet bleef, en ik ben er verre van te beweren dat ik hem beschouw als verstandig gehandeld te hebben. Doch de bijzonderheid van het geval was dit dat, hoezeer hij geen moeite spaarde om vriendelijke avances bij de Engelschen te maken in het kantonnement waarin hij leefde, hij nimmer in hun gezelschap werd toegelaten of op eenigerlei wijze aangenomen als een persoon met wien men conversatie kon houden. Hij was iemand met een aanzienlijk fortuin, lid van den stadsraad, een geleerde van breede intellectueele ontwikkeling en een gentleman van een onbesproken karakter. Desniettegenstaande was hij voor de Christen Engelschen, wier gewoonten hij volgde, evenzeer een pariah als voor de ouderwetsche Hindoe nabestaanden die hij verlaten had. Ik denk, hoezeer hij zich daaromtrent niet verklaarde, dat hem zijne geloofsverandering berouwde, en zeer zeker behoorde hij tot de bitterste vijanden die ik ontmoette van het tegenwoordig Anglo-Indisch regeeringsstelsel.

Men zal het moeielijk willen gelooven, doch nog in dit jaar onzes Heeren 1884, durft geen hotelhouder in Indie een inlandschen gast in zijn huis ontvangen, niet uit persoonlijke onwilligheid, maar uit vrees zijne klanten te ver-