is toegevoegd aan je favorieten.

Tijdschrift voor Neerland's Indië jrg 15, 1886 (1e deel) [volgno 7]

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

456

dadelijk in 's lands kas voldoen: als het een inlander geldt / 50.—, als de gevisiteerde een Oostersch vreemdeling is ƒ250.— en als de verdachte een Europeaan is ƒ500.— Indien de huiszoeking niet geschiedt op verzoek van den pachter, is geen schadeloosstelling verschuldigd.

8. In de ordonnantie betreffende de verpachting van het recht tot verkoop van opium op Java en Madoera wordt o. a. bepaald:

a. De verpachting geschiedt voor den tijd van vijf achtereenvolgende jaren, aanvangende met 1 Januari 1887 en eindigende op 31 December 1891. '

b. De verpachting heeft plaats in 7 perceelen te weten:

le perceel: Batavia, Bantam, Preanger-Regentschappen;

2e „ Krawang, Cheribon, Tegal, Pekalongan;

3e „ Samarang, Japara, Soerakarta, Djokdjokarta;

4e „ Kedoe, Bagelen, Banjoemas;

5e „ Rembang, Madioen, Kediri;

6e „ Soerabaja, Madoera;

7e „ Pasoeroean, Probolinggo, Bezoeki.

c. De verpachting wordt gehouden bij inschrijving ten bureele van den Directeur van financiën. De tot ontvangst der biljetten bestemde bus wordt op het bureau van genoemden

Directeur in het openbaar geopend op den 1886,

des voormiddags te 11 uur.

d. Hij, die voor elk perceel afzonderlijk, voor vijf achtereenvolgende jaren, de hoogste maandelijksche pachtschat biedt, onder gehoudenheid het hierna te melden minimum-quantum ruw opium tegen den prijs van ƒ 20.— per kati te ontvangen, wordt pachter, indien de geboden som aan de Regeering voldoende toeschijnt.

e. De minste hoeveelheid ruw opium, welke de pachter maandelijks verplicht is te ontvangen, bedraagt: