is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijdschrift voor Neerland's Indië jrg 16, 1887 (1e deel) [volgno 5]

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

263

zullen aanleg en exploitatie beide zoo goedkoop en doeltreffend mogelijk plaats hebben.

Op de lijn Brandewijnsbaai—Fort de Koek zal het personen- en goederenverkeer reeds terstond niet onbelangrijk wezen; op het gedeelte Padang Pandjang— Moeara Kalaban is het kolentransport overwegende. Het stempelt vooral de sectie Solok—Moeara Kalaban tot een zuivere industriebaan.

§ 13. De spoorwijdte zal bedragen 1.067 M., dezelfde afmeting als op Java gebruikelijk. Met het oog op te verwachten zeer belangrijk kolentransport, in den aanvang van 100.000 en later wellicht van 150 a 200.000 ton 'sjaars, heeft men vermeend, den spoorweg geen geringer capaciteit te mogen geven.

§ 14. Van de Brandewijnsbaai tot Kajoetanam blijft de spoorweg in de vlakte; geen hellingen grooter dan 1:80 en geen bogen met kleiner straal dan 200 M. zullen noodig zijn.

Van Kajoetanam tot Padang Pandjang is de lijn gedeeltelijk adhaesie-, gedeeltelijk tandradbaan. Voor het gedeelte waar geen getande middelstaaf ligt, is de helling niet steiler dan 0.02 (l/i0) gemaakt; bij toepassing daarvan is men gegaan tot een helling van 0.06 (Vie.e)-

De. maximum hellingen worden alleen in rechte gedeelten gebruikt; in bogen is de helling in verband met den weerstand evenredig verminderd.

Als minimum straal der bogen is voor de tandradbaan 110 M. genomen.

In de sectie Padang Pandjang-Fort de Koek is de maximum helling op 0.035, de minimum straal op 150 M. gesteld.

Tusschen Padang Pandjang en Batoetabar is de grootste helling 0.030, de kleinste straal 150 M. genomen.

Het gedeelte Kajoetanam-Fort de Koek en Padang Pandjang-Batoetabar kan onder de berglijnen met zeer zware hellingen worden gerekend.

Bij het meer van Singkarah komt de lijn weder in de vlakte, zoodat van Batoetabar tot Solok geen steiler hellin-