is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijdschrift voor Neerland's Indië jrg 16, 1887 (1e deel) [volgno 7]

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

475

De vijand liet 17 dooden in zijne positie achter, doch niettegenstaande de insluiting volkomen gelukte, maakte het zeer zwaar begroeide en zeer moerassige terrein het hem mogelijk met zijne gewonden en nog enkele dooden door de mazen van het net heen te glippen.

Blijkens een telegram door den Gouverneur onder dagteekening van den 9den via Penang verzonden was de toestand der gewonden gunstig en bedroeg het verlies van den vijand aan dooden 33.

Volgens latere particuliere berichten uit Atjeh, was de toestand van den luitenant van Deventer, die bij de affaire van den 4den April zwaar verwond werd, alhoewel nog bijzondere zorg vereischende, verbeterd; de adjudant-onderofficier Eethlich, onvoorziene omstandigheden buiten beschouwing gelaten, kon als gered worden beschouwd; de overige gewonden gingen eveneens goed vooruit, terwijl een enkele reeds het hospitaal had verlaten.

Hier te lande is terstond door voorstanders der agressie, het gevecht van 4 April te baat genomen om weder een lans te breken voor hun bewering. Zeer ten onrechte. Juist dit treffen toont duidelijk de voortreffelijkheid van de concentratie aan. Bovenal doet het de juistheid uitkomen van het gezegde van generaal van Swieten, dat de Atjehers een schier onbegrensd defensief, daarentegen geen noemenswaard offensief vermogen hebben. Wat toch beteekent de macht, die zij in het vuur konden brengen, vergeleken bij onze strijdmacht in en in de nabijheid van Kotta-Eadja gelegerd?

In de tweede plaats, bewijst het gevecht van 4 April dat de vijand in Atjeh door onze concentratie verplicht is zijne sterke taktiek (de defensieve) op te geven en aanvallenderwijze te werk te gaan. De geconcentreerde stelling verplicht hem onze macht te komen trotseeren, in stede dat wij met verlies hem in zijne schuilhoeken opzoeken; daardoor stelt hij zich bloot, zooals het gevecht van 4 April bewijst, aan een geduchte nederlaag en aan de moedeloosheid die daarvan