is toegevoegd aan je favorieten.

Tijdschrift voor Neerland's Indië jrg 16, 1887 (2e deel) [volgno 3]

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

121

„ en gouden eiland van Sumatra" benevens „ de eilanden van „Java maior, ende Java minor ende Baalij," worden in genoemde memorie, opgesomd als te bebooren onder die landstreken, „alwaar zij" (de Spanjaarden) „ ghevonden hebben „lanch te voren hun compste, een civilen en wel geordon„ neerden staet," en mogen daarom niet gelijk gesteld worden met het „no mans land", dat door de Engelschen en Duitschers, in 18S4 en 1885 op Nieuw Guinea is in bezit genomen. Trouwens — om meer bepaald op Djacatra terug te komen — sloten de Nederlanders reeds op den 10/13 November 1610 een contract met den vorst van dat land, *) waarin hen toegestaan werd tegen betaling van 1200 realen een logie te stichten op een stuk land lang en breed 50 vademen, en waarin ze beloofden tol te zullen betalen van de peper, notenmuscaat enz. die zij in de stad Djacatra zouden koopen. Zeer zeker zouden zij dat niet gedaan hebben, wanneer zij de stad en het land van Djacatra beschouwd hadden als onbeheerd, zooals de Engelschen en Duitschers dat deden met de door hen in bezit genomen gedeelten van Nieuw Guinea. Ware dit het geval geweest dan zou ook eenige jaren later, de Gouverneur-Generaal Beijnst niet hebben toegestemd in het treffen eener overeenkomst, waarbij door den regent van Djacatra werd afgezien van zijne aanspraken op tolheffing van arak, rijst en boonen tegen vergoeding van 800 realen 'sjaars; in de heffing van een recht van 5% bij den uitvoer van sandelhout en specerijen, en in het betalen met 200 realen voor het verlof tot het bouwen van een steenen pakhuis; en evenmin zouden de Nederlanders, hadden zij met eene bevolking als die op Nieuw Guinea te doen gehad op den 31 Januari 1619, hunne versterking bij verdrag hebben overgegeven aan de Engelschen en aan den regent van Djacatra, het werktuig van zijnen souverein den Koning van Bantam. Behalve dat, ware het land en de stad van

1) De Jonge. 3e deel, bladz. 352.