is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijdschrift voor Neerland's Indië jrg 16, 1887 (2e deel) [volgno 6]

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

340

de ramingen besteed was. Ook zou men, om een oordeel over het financieel beleid te kunnen vormen, dienen te weten of, in verband met de ongunstige tijdsomstandigheden, de lasten niet te zwaar hebben gedrukt. Tevens werd opgemerkt dat de cijfers, in de memorie van toelichting vermeld, geen juist denkbeeld van de werkelijkheid gaven, indien, gelijk men meende dat het geval was, het voordeelig verschil tusschen de opbrengst van het hoofdgeld en de kosten, uit de afschaffing van heerendiensten voortvloeiende, een deel van het verkregen overschot uitmaakte. De Minister gaf toch in de memorie van toelichting zelf te kennen: „ Naar het oordeel van den ondergeteekende gaat het niet aan met die excedenten van het hoofdgeld 's lands kas te verrijken."

Doch ook buitendien werd groote omzichtigheid ten aanzien der Indische geldmiddelen bij voortduring dringend noodig geacht. Indie's financieele toestand, zeide men, wordt nog steeds beheerscht door wisselvallige koffieoogsten en niet minder veranderlijke koffieprijzen, welke het tot een eersten eisch maken van een deugdelijk financieel beleid, in goede jaren op slechte jaren te rekenen. Tevens valt in het oog te houden dat, nadat de saldo's van vroegere Indische diensten grootendeels ten behoeve van Nederland waren uitgeput, Indie voor later ontstane tekorten belast is met renten en aflossing van / 45.157.365.97 uit de leening van 1883 — welke som bij de conversie-wet van 1886 op / 46.350.000 gebracht is — en dat ter voorziening in de behoeften van den dienst nieuwe lasten op de Indische bevolking gelegd zijn.

Met het oog op een en ander verdiende de vraag, welke bestemming aan reeds verkregen of nog te verkrijgen overschotten zou worden gegeven, voorzeker ernstige overweging. De Minister bewaart dienaangaande in de memorie van toelichting het stilzwijgen. Maar in de rede, door zijn ambtgenoot voor financiën bij de indiening der Staatsbegrooting voor 1888 uitgesproken, leest men op blz. 7 : „De toestand der Indische middelen maakt eene vergoeding voor gedane uitgaven mogelijk,