is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijdschrift voor Neerland's Indië jrg 16, 1887 (2e deel) [volgno 6]

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

341

waardoor dit tekort zal worden gedekt. Een wetsontwerp tot verhooging der middelen voor 1888 zal vóór het einde van dit jaar aan de Wetgevende Macht ter goedkeuring worden aangeboden."

Naar aanleiding van deze mededeeling achtten verscheidene leden de vraag gewettigd of het wel blijk gaf van een voorzichtig beheer, wanneer nu reeds gerekend werd op eene bijdrage uit de Indische mindelen, en dat nog wel tot dekking van een tekort op de gewone uitgaven der Nederlandsche Staatsbegrooting. In afwachting van de indiening van het bedoelde wetsontwerp zouden zij gaarne vernemen, van welk beginsel ten aanzien der verhouding tusschen de Nederlandsche en Indische geldmiddelen daarbij zou worden uitgegaan. Zonder eene principieele regeling dier verhouding, in den geest van het voorstel van wet van den heer W. K. van TJedern, verklaarden zij in geen geval tot het toewijzen van batige saldo's van Indische diensten aan de Nederlandsche schatkist te kunnen medewerken. Anderen gingen niet zoover, maar achtten desniettemin op de bekende gronden eene dergelijke regeling zeer gewenscht, en hoopten dat de Eegeering alsnog eene poging zou aanwenden om haar tot stand te brengen. Wel was het bedoelde wetsvoorstel niet aangenomen, maar sedert waren de omstandigheden veranderd, zoodat er thans wel uitzicht zou bestaan om voor wettelijke bepalingen in dien zin eene meerderheid in de Kamer te verwerven.

Er waren echter ook leden, die zich van eene vernieuwde poging, om de verhouding tusschen de Nederlandsche en Indische geldmiddelen bij de wet te regelen, weinig voorstelden. Immers niet alleen het voorstel van den heer W. K. van Dedem, maar elke soortgelijke voordracht, te beginnen met die van den Minister de Waal, had bij de Kamer schipbreuk geleden. Om over Indische saldo's te beschikken tot vergoeding van uitgaven, ten laste der Nederlandsche Staatsbegrooting ten behoeve van Indie gedaan, scheen eene wet van beginselen, zooals bedoeld werd, geenszins noodig, vooral nu bij de be-