is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijdschrift voor Neerland's Indië jrg 17, 1888 (1e deel) [volgno 6]

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

380

niet toe te schrijven aan hun afkeer; zij hadden eenvoudig geen begrip om een natuurgenoot te helpen.

De immigranten hadden een harde proef doorstaan bij het bouwen van het huis, waarin wij zaten en dat, na drie maanden verblijf, nog niet voltooid was. Zeer aanmoedigend voor ons, die geen gezag hebben om diensten te vergen, noch een vlag uit te steken als een teeken van macht! Toen onze vrienden vertrokken, vergezelden wij hen tot op het strand en wij moesten al onzen moed verzamelen om hen een opgeruimd vaarwel toe te roepen; en toen de „Amboina" haar anker lichtte en vertrok, zaten wij op een kist te kijken hoe zij al kleiner en kleiner werd en eindelijk aan den gezichteinder verdween, met een gevoel van verlatenheid en niet zonder kommer, achtergebleven zooals wij waren buiten gemeenschap met de beschaving voor minstens drie maanden.

Onze eerste gedachte was voor een huis. Toen de zon daalde in den achtermiddag, gingen wij een plek opzoeken. Wij moesten het dorp doortrekken, dat gevormd is door onregelmatige straten, waarvan de huizen meest naar zee gekeerd zijn ten einde de prauwen te kunnen bergen. Het dorp is omringd door een hooge dubbele palissadeering, en aan de poort van de landzijde is de grond behalve een nauw pad, bedekt met scherpe bamboe punten. De dorpelingen, die ons vergezelden, waarschuwden ons met opgewondenheid om daarvoor op onze hoede te zijn, en te gelijkertijd openden zij ons de oogen voor 'het feit dat wij omringd waren door vijanden en het dorp op voet van verdediging stond. Buiten de poort gingen wij in een klapperbosch, waar, links, een hooge klif zich verheft, schier geheel bedekt met struikgewas en vroolijk gekleurde heesters, en allerlei hangplanten tusschen de hooge boomen wichelden. Het was een allerliefste plek, en ik had gaarne dezen doolhof van meer nabij willen beschouwen, terwijl H. er prijs op stelde de kapellen te vangen, die op de struiken fladderden; doch wij durfden zoover niet gaan we-