is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijdschrift voor Neerland's Indië jrg 17, 1888 (2e deel) [volgno 2]

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

3fi

officieren geleend te hebben, zijn weg te vervolgen. Wij vonden hem juist gereed om op reis te gaan, en vertrokken terzelfder tijd van Klatten.

Wij verloren den lieutenant spoedig uit het gezigt, daar het op den duur te vermoeijend is te paard een rijtuig met postpaarden bij te houden. Tusschen Klatten en het volgende station, Kalie Kendeng, ontmoetten ons eene menigte Chinezen, die, met pak en-zak, vrouwen en kinderen, uit de nabijheid van Djokjokarta gevlugt, zich naar Solo en Semarang begaven. Men is thans bezig de bruggen, die in deze omstreken, door de z.ware regens en overstroomingen gedurende den jongsten westmoesson meest alle weggespoeld waren, te herstellen. De arbeiders echter hadden thans hun werk, en de landlieden hunne velden verlaten. Uitgezonderd de vlugtelingen, was alles doodsch. Deze omstandigheden bragten ons eenigzins tot nadenken, of het voor ons, die toch slechts op een plaisirreisje uit waren, wel raadzaam zou zijn verder te gaan. De heer van Tol had zijne familie te Solo, welke natuurlijk ongerust zou zijn om zijne veiligheid, na het gebeurde te Djokjokarta vernomen te hebben. De zaak was zoo geheel onverwacht opgekomen, dat wij ons geen het minste denkbeeld konden maken van hetgeen daartoe aanleiding kon gegeven hebben. Wie weet, vroegen wij elkander, wat er te Solo zelf gaande is? Het was mogelijk dat er eene zamenzwering bestond, waarin beide de hoven begrepen waren. Welligt waren de koeriers, die de eerste tijding overbragten, onderschept. Welligt was de late uitnoodiging van den keizer- aan den resident tot de bijwoning van de besnijdenis-plegtigheid, op eergisteren, voorbedachtelijk geweest. Indien het hof van Solo in den opstand begrepen was, zou ons de terugtogt spoedig geheel kunnen afgesneden zijn. Onder deze en dergelijke bedenkingen bereikten wij de verspanplaats Kalie Kendeng, alwaar wij ons voornamen den heer Mattaux in te wachten. Ons eerste werk was nu naar den postopziener alhier te vragen; doch deze was wegens ziekte naar elders vertrokken, zoo dat wij hier niemand vonden van wien wij eenig narigt