is toegevoegd aan je favorieten.

Tijdschrift voor Neerland's Indië jrg 17, 1888 (2e deel) [volgno 2]

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tl

Hij was werkelijk ernstig ziek bij iederen aanval, want deze waren bij hem steeds vergezeld van geweldig braken, doch hij was zelden meer dan telkens een dag bedleegerig. Gelukkig waren wij nooit tegelijkertijd op zijn slechtste: de een kou steeds de ander een weinig helpen. Onze lieden leden ook zeer. Kobes, echter, trok van de geringste koortsachtigheid partij om aan zijn luiheid bot te vieren, en dikwijls wilde hij niet voor ons kooken als hij het minste ziek van ons allen was. Wasschen weigerde hij absoluut, zeggende dat het hem altoos ziek maakte. Karei was niet zeer bereidwillig, doch Lopez liet den moed nooit zakken en was bestendig bij de hand. Op één dag kwam hij terug van de jacht en vond mij alleen thuis bezig om te probeeren visch gereed te maken, want wij hadden dien dag nog geen gekookt voedsel gehad. Hij trachtte den luien Kobes op te zoeken • doch hem niet kunnende vinden, nam hij zelf den visch naar de keuken, kookte hem en schonk ons een goed maal.

Ik heb dikwijls gesproken van de gele lokken der mannen. Zij worden geverfd in een preparaat van klappernotenasch en lijm, en elke drie of vier dagen wordt de operatie vereischt om de rijke gouden kleur te houden. Sommigen hebben plat, ander krulhaar, doch allen binden het met een doek, en, bij gebreke daarvan, met een strook van een palmblad. De vroolijke jonge beaux besteden veel tijd aan hun haar; zij, die door de natuur bedeeld zijn met rechte lokken gebruiken een friseerwerktuig. Juist achter het huis van den posthouder stond eene ongebruikte prauw, waarin zich regenwater had verzameld; dit was de dorpspiegel. Het was een nimmer falende pret voor mij de rij jonge lieden gade te slaan, die daar in den ochtend stonden hun haar met een zekeren smaak en met niet weinig ijdelheid te verbinden, den een over des andereu's schouders zich in het water spiegelende om zich te overtuigen dat de goed gekamde lokken netjes gegroupeerd waren, en daaraan een laatste kokette touche te geven. De oude lieden verven het, haar niet; velen, zelfs op middelbaren