is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijdschrift voor Neerland's Indië jrg 17, 1888 (2e deel) [volgno 7]

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

428

te gering wordt geschat om den sluikhandel met goed gevolg tegen te gaan, is den ondergeteekende niet bekend. Hij zal niet aarzelen tot tegengang van den smokkelhandel bij de begrooting aan te vragen wat daarvoor noodig is; maar ook hier mag niet overdreven worden en moeten de uitgaven evenredig blijven aan de vruchten die er van te verwachten zijn. Daarom verdient, naar de meening van den ondergeteekende, het in dienst stellen van zeer kostbare stoomschepen ter bestrijding van den sluikhandel geen aanbeveling, want zijns inziens kan daarmede weinig nut worden gesticht.

De bezwaren, die bestaan tegen de invoering van de door een lid gewenschte toleenheid tusschen Nederland en Indie, zijn uiteengezet bij de behandeling der laatste wijziging van de tarieven van in- en uitvoerrechten in Nederlandsch Indie. Niettemin is zulke toleenheid den ondergeteekende steeds in het belang van Nederland en Indie beide wenschelijk toegeschenen, en zal hij niet nalaten daaraan ernstige aandacht te wijden, ten einde de verwezenlijking zijner denkbeelden in dit opzicht te kunnen bevorderen.

Op vijftien plaatsen zijn de vendumeesters daartoe bijzonderlijk aangestelde gouvernements-ambtenaren, en elders zijn de werkzaamheden van vendumeester zooveel mogelijk opgedragen aan de plaatselijke notarissen, gewestelijke secretarissen of een ander geschikt ambtenaar. Slechts waar niemand 'anders daartoe geschikt geoordeeld wordt, zijn zij opgedragen aan gezagvoerende ambtenaren.

De gedachtenwisseling, welke op 16 November in de Kamer plaats vond omtrent eene nieuwe regeling der buitenlandsche verloven, heeft ten gevolge gehad dat in den geest van den heer Cremer deze aangelegenheid opnieuw bij de Indische Regeering is ter sprake gebracht. Het spreekt van zelf dat, vermits alle departementen bij de zaak betrokken zijn, een aantal adviezen moeten worden ingewonnen. Daaraan zal het wel toe te schrijven zijn dat de Indische Regeering nog niet van haar gevoelen heeft doen blijken. Aangezien de onderge-