is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijdschrift voor Neerland's Indië jrg 18, 1889 (1e deel), no 1

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

73

de goederen, waaraan Indie behoefte heeft, en waarvan het zich langs dien weg met minder moeite en inspanning het genot verzekeren kan door zelf zich op de vervaardiging er van toe te leggen?

Van den kant der alarmisten, wier betooggronden wij zoo beknopt mogelijk trachten weer te geven, voert men aan, dat de bevolking van Britsch-Indie door gestadige opvoering der landrente gedwongen wordt tot het teelen van producten, die zij tot eiken prijs van de hand moet zetten om aan hare verplichtingen tegenover den fiscus te kunnen voldoen; maar deze bedenking is in lijnrechten strijd met de feiten, want raadpleegt men de ter zake beschikbare gegevens dan blijkt, dat dertig jaren geleden, in 1856/57, toen van de uitvoer van rijst en tarwe nog zoo goed als geen sprake was, door de bevolking aan landrente werd opgebracht En. 180.000.000 in het jaar, en thans, in 1886/87, En. 230.000.000 een vermeerdering dus van slechts 30 percent, die allerminst recht geeft tot de gevolgtrekking, waarin de alarmistische school hare grieven tegen het in Britsch-Indie gevolgde regeeringsbeleid pleegt samen te vatten, „ that it is draining a wretchedly poor country of its lifeblood." Wij in het bijzonder zullen ons wel hebben te wachten er aanstoot aan te nemen, want de opbrengst van de landrente op Java steeg van f 9.205.000 in 1857 tot c». / 20.000.000 in 1887, eene vermeerdering derhalve van Em. 115 percent, met het gevolg dat de bebouwde velden op Java tegenwoordig in doorslag belast zijn met nagenoeg / 6 per bouw, terwijl diezelfde belasting in Britsch-Indie dooreen niet meer dan ruim / 3, en volgens andere berekeningen niet meer dan ca. 2'/4 per bouw bedraagt. Nu kan Java, zooals sommigen misschien beweren zullen, dien last gemakkelijker dragen omdat zijn bodem vruchtbaarder en zijne bevolking welvarender geacht wordt; maar, wie aldus over den staat van zaken hier en ginder denken moge, die zij in herinnering gebracht, dat, naar aanleiding van een betoog van den boven reeds genoemden heer Hyndman, vol-