is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijdschrift voor Neerland's Indië jrg 18, 1889 (1e deel), no 2

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

137

middelen daartoe kunnen gevonden worden, en, bezield door den lust om gedurende den korten tijd van zijn bestuur iets grootsch tot stand te brengen — evenals indertijd van der Capellen, en tot zekere hoogte Eaffles, — organisaties invoert en hervormingen aanbrengt zonder op de bestaande hulpmiddelen te letten, het aan zijnen opvolger overlatende zich te redden, zoo goed hem dit mogelijk zijn zal ?

En zou men de vrees hersenschimmig rekenen, dat een Gouverneur-Generaal, omringd door ambtenaren, en hoofdzakelijk met de Europeesche wereld in aanraking, slechts die verbeteringen zal invoeren, die door dezen gevraagd werden, geleid alleen door de luidsprekende organen der Europeesche pers, terwijl de Inlandsche bevolking, die gewoonlijk zwijgt, en zich niet luide kan uiten, ten haren koste hervormingen zou zien aangebracht, die zij niet verlangt, — die haar niet baten ? En aan den anderen kant is er vrees, dat een Gouverneur-Generaal weder te veel naar het moederland zou zien, angstvallig alle verbeteringen uitstellende, uit angst, dat zijn gedrag daar zou worden afgekeurd. Dat van een herstel van den toestand vóór 1867 weinig baat voor Indie gevonden zou worden, toen een Minister, verantwoordelijk aan het parlement, de eindvastelling van de begrooting in handen had, spreekt wel van zelf. Men vergete toch niet, dat de volslagen afhankelijkheid der Indische regeering in financieele aangelegenheden vooral in het tijdperk van 1835—1800 ten top was gestegen, toen de begroeting aan het toezicht der Staten-Generaal geheel onttrokken was.

Voorzeker, wanneer men den Minister een Eaad van koloniën ter zijde stelde, wiens advies hij in financieele zaken zou moeten inwinnen, kan dit bezwaar eenigzins worden verkleind. De neiging van een Minister om hoofdzakelijk Nederlandsche belangen te behartigen, zou dan worden opgewogen door den aandrang van een college, samengesteld uit mannen die, hoe verschillend misschien ook over vele zaken oordeelende, één zouden zijn in liefde voor de koloniën.