is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijdschrift voor Neerland's Indië jrg 18, 1889 (1e deel), no 3

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

194

voldoende proviand bij zich hebben orn niet van gebrek om te komen; men onderneemt zoo'n tocht niet alleen, dus kan men zich een denkbeeld maken van de hoeveelheid voedsel, zonder van andere benoodigdheden te spreken die men voor b. v. 25 menschen zou moeten medenemen voor eene reis van minstens 2 of 3 maanden!

Dat zoo'n toestand natuurlijk ellendig inwerkt op aanraking van ons met de daar nog zoo wilde Dajakstammen, waarvan er nog zijn die in boomen wonen, behoeft geen betoog.

Alleen voor enkele zeer moedige Maleiers is het weggelegd om daar handel te drijven.

Er zijn nog stammen, die den handeldrijvenden Maleier nog niet eens gezien hebben, hoewel hij toch met hen handel drijft.

Zijne handelswaren legt hij onder eenen grooten boom en geeft door het slaan op eenen gong of tawa tawa kennis dat hij aangekomen is en verwijdert zich dan tot op grooten afstand.

Nadat den handelaar de noodige tijd gelaten is om zich ver genoeg te kunnen verwijderen, komen eerst de Dajaks de koopwaren bezien, en leggen voor 't geen zij verlangen, stofgoud, gouliga's en andere handelswaren neer, waarna zij zich weer terug trekken.

Den volgenden dag komt de koopman zien wat men hem voor zijne waar, meestal bestaand in zout, tabak, rood katoen, koralen, etc. wil geven; bevalt hem dit dan neemt hij het aangebodene mede, en laat daarvoor zijne handelswaren liggen ; bevalt het hem niet, dan laat hij het aangeboden liggen en neemt zijne handelswaren weder mede.

Ik haal dit aan als een enkel voorbeeld voor hetgeen den beschaver te doen valt, wil hij in dat onmetelijke land het beschavingswerk ter hand nemen.

Ten bewijze van de moeielijkheid om het binnenland van Borneo te bereizen, diene, dat onder de zeer enkelen die een deel der binnenlanden bezochten Dr. Schwaner genoemd wordt,