is toegevoegd aan je favorieten.

Tijdschrift voor Neerland's Indië jrg 18, 1889 (1e deel), no 4

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

311

zaken een einde te maken dan ons te verjagen. Zal deze broodnijd het edele en vrijheidlievende volk der Zuid-Afrikaansche republiek niet overtuigen, dat het onbillijk en zelfs nadeelig is om de dwangmaatregelen tegen ons te bestendigen? Verdrijft men ons, maakt men ons een eerlijken handel onmogelijk, door ons in een onteerenden toestand neder te drukken, dan zullen aanstonds de prijzen der goederen weder rijzen, en de arme burger weder overgelaten zijn aan het monopolie der Europeesche kooplieden.

"Wij willen hier nog met grooten ernst een zeer gewichtig punt aanroeren. Men schroomt niet om van ons te spreken, alsof wij op ééne lijn stonden, op dezelfde laagte van ontwikkeling als de inboorlingen hier te lande, nl. de heidensche Kaffers. Wat is het geval? Wij verachten alle roemzucht, maar meenen toch bij het godsdienstig volk van deze republiek waardeering te vinden, als wij in herinnering brengen dat ook onze stamvader is Abraham, de vader der geloovigen, de vader van Ismael. Wij zijn aanbidders van den Eenigen God; de God van Abraham, Izaiik en Jacob is de onze. Hebben wij nu geen recht om met vrijmoedigheid ons op uwe Grondwet en de door u plechtig bezworen tractaten te beroepen? Gunt ook ons onzen godsdienst; wij aanbidden met u denzelfden God. Is het noodig onze diepe smart uit te spreken, dat lage handelsafgunst zoo ver kan gaan ons in het heiligste van ons geloof aan te tasten, en ons den naam te geven, alsof wij steenen of slangen vereerden of zonder God in de wereld leefden, gelijk Zulus of andere Kaffers?

Het is op grond van bovenstaande overwegingen, dat wij Uwe bescherming inroepen, en dringend u smeeken ons de bescherming der wet te verstrekken, die ons naar de conventie toekomt, en daardoor ook de republiek te bewaren voor het groote nadeel, dat uit onze verdrijving zal voortvloeien.

De Transvaalsche Volksstem zegt aangaande dat stuk: «Wij wenschen in het belang van het land en den armen burger, dat de bijzondere wet tegen de Arabieren worde in-