is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijdschrift voor Neerland's Indië jrg 19, 1890 (1e deel) [volgno 6]

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

349

koffij werd vastgesteld, had de bevolking dus moeten ontvangen ^ 20.50

minus 2/3 of 8.20 „ transport 3.— 2% overw. -.41

»11-61

Totaal i) . . f 8.89 koper per 100 katis; — zij ontving intusschen f10 koper voor dat gewigt.

„Van dit cijfer is niet meer afgeweken, zelfs niet in tijden toen de marktprijs tot f 16 gedaald was"... En nu volgt de berekening dat de bevolking bij laatstgenoemden marktprijs, slechts recht gehad had op f6.60.

„Zelfs zij" — gaat de Minister voort — „zelfs zij die niet den arbeid maar den marktprijs der koffij tot grondslag zouden willen behouden, moeten erkennen, dat zoo het dus in het eene uiterste noodzakelijk is, in het belang der bevolking, van den marktprijs af te wijken, het dan in het andere uiterste ook niet onbillijk is, dit in het belang van het Gouvernement te doen, en het gevolgehjk niet noodig is de betaling aan de bevolking met den hoogsten marktprijs te doen rijzen."

Na herinnerd te hebben, dat ook hier de middenweg de beste zou zijn, wijst de Minister verder op het „voorheen" en „thans" van de Gouvernements-koffiecultuur. *

Deze was in 1832 van luttel beteekenis. „"Wat destijds onteigening kon heeten en schadeloosstelling vorderde, is thans gedwongen arbeid, die aanspraak maakt op billijke belooning, en niet meer."

De ondervinding heeft, volgens den Minister, bewezen „dat men zich noch in het belang der bevolking, noch in dat van den lande, onvoorwaardelijk kan vastklemmen aan den marktprijs en dat men zich dus naar een anderen

1) Dit woord blijve voor rekening van den steller van den brief.