is toegevoegd aan je favorieten.

Tijdschrift voor Neerland's Indië jrg 21, 1892 (1e deel) [volgno 2]

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

20

zoo ja, waarin die zal moeten bestaan, is in Januari jl. aan de hoofden van gewestelijk bestuur opgedragen een onderzoek te doen instellen ter beantwoording van de vraag, voor welke erfpachters verlaging van den canon een onafwijsbare eisch is om hunne onderneming te doen voortbestaan, of, waar het nog onontgonnen perceelen betreft, eene onderneming in het leven te kunnen roepen.

In vertoogen van particuliere zijde over de belangen der Europeesche nijverheid was o. a. het denkbeeld aangeprezen om, bij belangrijke verlaging van den canon en bij afschaffing van de verponding voor de erfpachtsondernemingen, door deze, nevens het patentrecht, zekere percentage van de winst aan den lande te doen opbrengen. Dit denkbeeld is aan de Indische regeering onaannemelijk voorgekomen, zoowel omdat voor zoodanige verandering geen voldoende gronden aanwezig werden geacht, als omdat de schatkist het daardoor te lijden verlies niet zou kunnen dragen.

In de residentie Palembang verzekerden verschillende Europeesche ondernemingen zich groote uitgestrektheden voor de tabakscultuur. Van de vele perceelen, tot wier uitgifte de regeering zich bereid verklaarde tegen een canon van f 0.20 tot f 0.50 per bouw, werden er in 1890 zes aanvaard, ter gezamelijke grootte van ruim 37,000 bouws.

Een groot aantal erfpachtsaanvragen op de Buitenbezittingen bleven bij het einde van 1890 nog in behandeling. De meeste betreffen gronden in Palembang, doch sedert zijn vele van die aanvragen weder ingetrokken.

In Januari 1890 was door den Minister van koloniën aan de Indische Regeering verzocht hare gedachten te laten gaan over de mogelijkheid en wenschelijkheid om de in 's gouvernements rechtstreeksch gebied geldende verordeningen op de in- en overschrijving van vaste goederen en de daarmede verband houdende belastingen ook van toepassing te verklaren op de in het genot van zelfbestuur gelaten