is toegevoegd aan je favorieten.

Tijdschrift voor Neerland's Indië jrg 21, 1892 (1e deel) [volgno 2]

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

68

levendig geworden, dat zij het was, die ook bij ons de redding kon brengen, waarnaar tot dusver te vergeefs gezocht was.

Ik heb daarom getracht in de voorafgaande bladzijden een beeld van die régie te geven, geplaatst in het kader harer omgeving, en wanneer ik mij daarbij aan wat groote uitvoerigheid heb gewaagd, dan deed ik dit opzettelijk ten einde de licht- en schaduwzijden zooveel mogelijk te doen uitkomen, en een ieder in staat te stellen zelfstandig te oordeelen, gelijk ik zelf de gelegenheid daartoe heb gehad. Mocht ik er in geslaagd zijn dat beeld met eenige getrouwheid en duidelijkheid weer te geven, dan vertrouw ik dat het bij velen den indruk zal maken, dien ik ondervond, en dat de uitvoerigheid, waarmede ik ook de omgeving heb behandeld en die anders wellicht noodeloos zou geacht worden, mede instemming vinden zal.

Gedurende de jaren 1882 tot en met 1886 heeft de régie in Cochinchina een tijd van voorspoed gehad, die duidebjk heeft aangetoond, dat de onderneming de krachten van het bestuur niet te boven ging; hebben zich sedert bedenkelijke verschijnselen van achteruitgang geopenbaard, dan heb ik tevens aangewezen, dat die voor een deel aan de tijdsomstandigheden, maar voornamelijk daaraan te wijten zijn, dat de handen, aan welke de zaak was toevertrouwd, niet meer op de hoogte van hare taak waren en door verminderde belangstelling der Regeering niet langer genoegzaam werden gesteund.

De vraag is dus slechts of op Java en Madoera — want tot deze twee eilanden wensch ik mij voorhands te bepalen — hetzelfde kan gedaan worden, wat in Cochinchina mogelijk gebleken is.

Ter beantwoording dier vraag heeft men te letten op de volgende omstandigheden, als de voornaamste factoren onder datgene, waardoor de zaak beheerscht wordt.

In Cochinchina heeft men eene bevolking van hoogstens 2,000,000 zielen, verdeeld over een land dat ongeveer zoo