is toegevoegd aan uw favorieten.

Nieuwe bijdragen ter bevordering van het onderwijs en de opvoeding, voornamelijk met betrekking tot de lagere scholen in het Koningrijk der Nederlanden, voor den jare ..., 1873, 01-05-1873

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Mengelwerk.

het voorbeeld van zijnen onderwijzer slechts ter navolging voor , terwijl hij zich tevens zoo goed mogelijk herinnert, hoe hij zelf als kind werd onderwezen. Was des onderwijzers voorbeeld in eenig opzicht gebrekkig, dan zou de kweekeling hoogstwaarschijnlijk ook in die font zijn vervallen.

Wie derhalve goede kweekelingen en hulponderwijzers wil vormen, geve zooveel mogelijk een onberispelijk voorbeeld. ?n alles, dewijl ook hier de spreuk geldt; „zooals de ouden zongen, zoo piepen de jongen."

Dat blindelings volgen van 't gegeven voorbeeld moge dan nu de eerste sport zijn van de ladder ter bereiking van practische bedrevenheid, men stelle zich daarmee niet tevreden, maar beklimme ook zoo ras mogelijk den volgenden trap, om oordeelkundig en zelfstandig te leeren handelen.

Dit deed de onderwijzer ook met dezen knaap. Omdat diens antwoord eigenlijk onvoldoende was, vroeg hij hem, waarom men in 't een en ander juist op die wijze moest doen. Hij stelde hem b.v. de vragen voor: waarom gaat men maar niet bestendig voort met vragen en antwoorden, om des te meer opgaven af te handelen; waarom laat men somtijds rekenschap geven van de wijze, waarop het antwoord gevonden is; waarom vergelijkt men die verschillende oplossingen ook wel; waarom geeft men gemakkelijk en moeielijk te vinden opgaven, zonder altijd op te klimmen tot moeiolijker soort? enz.

Van deze vragen wist de knaap eenige behoorlijk goed te beantwoorden, en hieruit bleek dus zijn goed oordeel en zijn geschiktheid tot oordeelkundig onderwijzen. Van andere bleef hij het antwoord schuldig , omdat hij , nog jong en onbedreven , het niet inzag en er niet genoeg over had nagedacht, maar ze meer in sleur volgde. Hiervan gaf de onderwijzer hem de noodige opheldering, opdat hij in het