is toegevoegd aan uw favorieten.

De Hollandsche revue jrg 29, 1924, no 19

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HISTORISCH TIJDSCHRIFT, ^ f

De laatst verschenen aflevering van het Historisch Tijdschrift opent met een bijdrage van dr. Joh. C. Breen: ,,Drie oorkonden betreffende de Heilige Stede te Amsterdam". De katholieke schrijver L. J. M. Feber bespreekt uitvoerig het „Gedenkboek" ter gelegenheid van het regeeringsjubileum verschenen bij La Rivière en Voorhoeve te Zwolle. De leiding van dit gedenkboek is, aldus de heer Feber, met de keuze van Tiaar koloniale medewerkers gelukkig geweest. Hier, op dit terrein, waar de mannen-broeders zich sedert de dagen van Coen zóó wakker hebben laten gelden, dat men in het koloniale haast van een protestantsche traditie kan spreken — die overigens naast haar lichtook haar schaduwzijde vertoont — op dit geweldig arbeidsveld van den Nederlandschen geest komt het gedenkboek uit met mee van de besten onder de besten.

Wanneer Idenburg en Col ij n het woord voeren over onze koloniale politiek in den ruimsten zin, dan legt men — zonder bij voorbaat bij al hun uitspraken te zweren als bij een koloniaal evangelie — eerbiedig het oor te luisteren. Want men verwacht, dat er iets bzonders komt. En dit bizondere bieden zij inderdaad in twee samenvattende opstellen. Voor het recht begrip van de koloniale historie in den modernen tijd, voor de zuivere waardeering van de geestelijke krachten, die haar hebben geconstitueerd, is van het grootste belang, dat Idenburg er nog even aan herinnert, dat met het anti-revolutionnaire beginselprogram van 1 Januari 1878 de koloniale staatkunde der anti's in den ethischen koers werd gevoerd. Had de geëerde schrijver bovendien nog herinnerd aan Schaepman's principieele uitspraken op dit punt, dan zou nóg hechter zijn vastgelegd, nóg vollediger

zijn uitgesproken, dat „rechts" in de zoogenaamde koloniale ethiek allerminst achter de ontwikkeling der verhoudingen is aangeloopen — zooals wel eens te gelooven wordt voorgesteld.

De beschouwingen van den heer Idenburg zijn, zooals trouwens te verwachten viel, gehouden in een toon van voorzichtige wijsheid en wijze voorzichtigheid. Om een voorbeeld te noemen, laat hij op zijn in den grond der zaak niet zuinig kritische opmerking, dat op het gebied van hygiëne in Indië nog „zeer veel wenschen te vervullen"blijven, onmiddellijk een krachtig woord van waardeering volgen voor den arbeid van den Burgerlijken Geneeskundigen Dienst, aldus blijken gevend van heel wat meer zicht op de realiteit, dan zij, die de inderdaad onhygiënische Indische werkelijkheid alleen plegen te beschouwen — of althans te beschrijven — van den zwarten kant, daardoor wantrouwen wekken in hun objectiviteit en aldus hun propaganda door hun onbeteugelden ijver verlammen. De heer Idenburg heeft een manier om over zekere bedenkelijke verhoudingen langs zijn neus weg het zijne te zeggen, die in haar rustige wijsheid op 't randje van het komische af kan gaan en niettemin haar kritisch doel weet te treffen. Om te laten uitkomen, dat het zeer in hoofdzaak inheemsche organisaties zijn, die de Indische beweging dragen, zet hij de politieke organisaties van het uitheemsch element naast de groote inlandsche beweging als volgt op haar bescheiden nummer: „Naast deze twee groote inlandsche vereenigingen — Boedi Oetomo en Sarikat Islam — vormden zich andere, ook wel van Europeanen. Dit „ook wel" is onbetaalbaar, vooral voor wie de concrete verhoudingen daarginds kent uit eigen ervaring. Trouwens, ook die inlandsche bewegers, die het pogen voor te stellen, alsof heel de beweging uit inlandsen brein geboren