is toegevoegd aan uw favorieten.

De Hollandsche revue jrg 29, 1924, no 21

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

876

DE HOLLANDSCHE REVUE

onderbroken vlijt, de eene theorie na de andere opbouwen, door niets in hunne studies verhinderd worden. Als wij hunne werking- met sympathie volgen, onze bewondering gaat toch in de allereerste plaats naar mannen als De Mont en De Cock, die de levende Folklore hebben beoefend; deze hebben ons positief werk gebracht, vertellingen, die, zóó gelijk zij geboekt zijn geworden, frisch en jong, een nieuwen tocht onder het Vlaamsche volk zijn begonnen. Die sprookjes zullen nog leven, wanneer meerdere subtiele theories als verouderd en afgedaan voor goed van kant zullen gesteld zijn.

Hoe rijk de door De Cock en Pol de Mont onder dak gebrachte sprookjes-oogst was, blijkt hieruit, dat zij, na strenge en herhaalde schifting van de honderden en honderden varianten, acht en dertig wondersprookjes en honderd negen-en-zestig vertelsels van allerlei soort overhielden, die zij het Vlaamsche volk ten geschenke boden in de twee lijvige bundels, die hierboven reeds genoemd werden. Te zamen dus twee honderd en zeven sorookjes, gezameld in het kleine Vlaanderen, aanzienlijk meer dan de gebroeders Grimm er voor de eerste uitgave van hun prachtige ..Kinder- und Hausmaerchen" in de gezamenlijke Duitsche gouwen ontdekten.

Wat nu den inhoud betreft van het nieuw verschenen werk, deze komt. in hoofdzaak, overeen met dien van de in 1893 te Gent verschenen „Wondersprookjes". Alleen dient aangestipt, dat Pol de Mont de reeks met twee nummers heeft vermeerderd, in dialekt geschreven, teneinde den lezer zelf te laten oordeelen over het al of niet wenschelijke van den gewestelijken of nlaatselijken taalvorm, en dat hij od een aantal sprookjes de a anteeken in gen heeft laten volgen, die er al in 1893 voor gereed lagen.

Hinderlijk is het lezen door deze aanteekeningen niet geworden; voor hem die met wetenschappelijke belangstelling leest, hebben zij ongetwijfeld waarde. En over de vraag of het wenschelijker is de vertelsels weer te geven in het dialekt van de streek waar zij geboren en gegroeid zijn, behoeft het antwoord niet twijfelachtig te zijn nu Pol de Mont twee vertelsels in dialect tusschen de andere verhalen heeft opgenomen. Géén dialect, is direct de conclusie; de vertelsels verliezen er veel bij,

zonder er iets bij te winnen. Een locale kleur ontvangen zij er niet door; de lectuur ervan is vermoeiend, om niet te zeggen vervelend.

Om nu te zeggen, welke van deze wondervertelsels de beste, de schoonste, de boeiendste is, dat is moeilijk. ,,De man zonder ziel" is een al even schoon verhaal als dat van ,,De Koningsdochter en de Bakkersknecht" en van ,,De drie Visscherszonen". Wat al schatten van verbeelding liggen in dit werk bijeen! Zij openbaren een volksziel in haar schoonste geledingen. Want dit is het heerlijke wonder van deze Wondervertelsels, dat zij die dingen van het volksgemoed openbaren, welke anders verborgen zouden zijn gebleven, vergeten en ongekend. Zoo zou een schat verloren zijn gegaan van onnoemelijk groote waarde.

Dit boek zal velen dierbaar worden. Het zal een nieuw licht brengen in een grauw verbeeldingsleven, het zal er kleur en schittering brengen, vaak en volop en dat is toch een heerlijk voorrecht in dezen tijd, waarin het leven zoo arm is aan fantasie.

Er zou een afzonderlijke studie zijn te schrijven over folklore en literatuur, over het nauwe, het innige verband tusschen beide. Dit werk geeft er stof genoeg voor en wanneer men Alfons de Cock's wetenschappelijken folkloristischen arbeid beschouwt, dan schijnt de materie schier onuitputtelijk. Maar bij deze wondervertelsels domineert boven het wetenschappelijk element de factor der liefde. In alle hoeken van het Vlaamsche land, waar zoovele eenvoudigen van geest leven als bestond er geen modernisme in gansch de wereld, leven de volksverhalen. Zij brengen het inzicht door het licht der verbeelding; zij doen de volksziel begrijpen en liefhebben, het beste en mooiste erin. Hoe duister het ook kan zijn op het land, in stille hoeken, onder zwoegende menschen, het gouden hart van den eenvoud schittert overal.

De Noord-Nederlandsche literatuur kent helaas een werk als dit niet. De meeste NoordNederlandsche auteurs geven weinig of niets om 't platteland en zijn typische bevolking. En de enkelen die het wèl doen, vinden onvoldoende waardeering. Het volk van Vlaanderen leeft in zijn literatuur; dat doet het Hollandsche volk niet in de zijne. Men zou veeleer de folklore in onze letteren willen bannen als een ongewenscht element.