is toegevoegd aan uw favorieten.

De Hollandsche revue jrg 29, 1924, no 22

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ONS EIGEN REVUETJE

923

stoute streek en ook van het leugentje aan vader.

Maar toen vader bij het naar bed gaan aan Kees vroeg:

,,Nu zul je toch wel gelooven, dat Sint Nicolaas nog bestaat."

Toen zei Kees weifelend nog:

,,Ja, ik geloof 't haast wel, maar ik dacht toch even dat 't de stem van dien meneer was, u weet wel vader, van die villa, die ons toen achterop liep."

En vader, een lachje nauwelijks kunnend bedwingen, zei:

„Nu, Kees, blijf maar trouw denken aan den woorden van Sint Nicolaas en hang de bel in je kamertje op, zoo'n kleine herinnering kan geen kwaad."

Na dien tijd heeft Keesje nooit meer belletje getrokken en een betere en zachtere les was zeker niet denkbaar voor den kleinen bengel.

E. B.

GEZELLIGE TIJD.

Nu zijn ze er alweer, die in-genoegelijke avonden, waarop we, als het huiswerk af is, naar boven sluipen en op ons eigen kamertje, deur op slot gedraaid, wat in dien tijd wel mag, met ijver werken aan alle verrassingen die we familie en vrienden zullen bereiden op het goede, oude Sint Nicolaasfeest.

Als je zoo met je tweetjes of drietjes zit, allemaal zussen uit één familie, dan vlot het werk nog ééns zoo hard en wedijver je met elkaar wie het hardst opgeschoten is.

En als je dan nog saampjes een klein snoeperijtje gekocht hebt en iederen avond een zuurtje of balletje neemt, iets dat lang in je mond blijft, want dat is juist zoo echt, dan lijkt 't wel of er geen einde komt aan die pretr tige avonden.

Hè, je schrikt ervan als de klok onbarmhartig het uur van naar bed gaan slaat.

Nu al? We zaten net zoo fijn en 't leek of we pas met werken begonnen waren. En met een boozen blik op dien onverbiddelijken klok ruimen we onze handwerken op en sluiten alles goed weg.

O, die laatste avonden! als je rekent en weer eens angstig rekent of je wel klaar zult zijn met alles. Als je bij vader en moeder nog een uur afbedelt om langer te mogen opblijven en je blij naar boven holt als de toestemming met een begrijpend lachje gegeven is.

En dan die voorlaatste avond, als de surprises, de gedichten gemaakt worden.

Als de kopjes der zussen zich onder de lamp naar elkaar toebuigen en onder pretlachjes de ondeugende versjes aaneen gerijmeld worden, versjes, waarin alle opgespaarde plagerijtjes van zoo'n heel jaar voorkomen.

Wat is dat allemaal genoegelijk en warm en hoe denken we in later jaren, als we veel

ouder zijn, met pleizier terug aan de knusheid van al die avonden.

Laten we 't toch altijd zóó inrichten, dat er nooit gebrek aan tijd is, om die gezelligheid te kunnen plegen en 't nooit roef, roef, afdoen onder 't denken van: o ja, da's waar, 't is gauw Sint Nicolaas! om dan in een gejaagd vaartje met een soms wat wrevelig gevoel alles af te roffelen.

Dit lieve, oude feest is zooveel heerlijker dan je verjaardag, want dan is immers alles voor jou en krijgen de anderen niets.

Laten we 't in eere houden en met kleine eigengemaakte geschenken blijdschap brengen in eigen kring en daar buiten.

En laat er geen Sint Nicolaasfeest zijn, waarop je niet kunt zeggen: ik heb niet alleen aan den eigen kring gedacht, maar ook aan hen, die geen Smt Nicolaasfeest kunnen vieren en geef met milde hand aan kleuters, die niet gezellig onder de lamp zitten, doch met leege handjes in het schamele bedie Kruipen.

Dan pas, kun je na dit heerlijk feest, tevreden en blij je kopje in de kussens leggen.

Zullen jullie er allemaal aan denken?

E. B.

EEN BRIEF AAN SINTERKLAAS.

Keesje zat een brief te schrijven, 't Was er eentje aan den Sint, Heel wat had hij te vertellen, Keesje schreef op groote vellen. Sinterklaas, die goede bisschop, Was z'n allerbeste vrind.

Keesje maakte groote letters, Sinterklaas was al zoo oud; 't Zou toch immers jammer wezen Als de Sint het niet kon lezen, Keesje deed het ook zoo netjes, Zonder kladden, zonder fout.

„Hoor eens, beste Sinterklaasje", Schreef hij op het eerste blad, ,,'k Heb een mooi rapport gekregen, 'k Had voor rekenen een negen, 'k Was de beste van de jongens, Sinterklaas, hoe vindt u dat?

Dan, dat moet u ook nog weten,

Eet ik zoet m'n boterham,

Vroeger zat ik erg te zeuren,

Nee hoor, 't zal niet meer gebeuren,

'k Was een echte, stoute jongen,

Och, 'k weet zelf niet, hoe 't zoo kwam.

„Wilt u Keesje niet vergeten?" Stond aan 't einde van den brief, ,,'k Stuur u maar meteen m'n lijstje, Moeder zegt, 'k verdien een prijsje, 'k Wil zoo graag een spoortje nebben, Als u 't geeft, dan bent u lief."

HENRIËTTE BLAAUW.