is toegevoegd aan uw favorieten.

De Hollandsche revue jrg 29, 1924, no 23

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE BOEKENTAFEL

955

Briseïs. De zoon van Peleus, en de zïlver-

voetige Tkebis. — Niet? Achilles. Een kind der menschen en een zoon

van een godin. Briseïs. Dat zijn wij vrouwen allemaal.

Briseïs zegt trouwens meer rare dingen, zoo op blz. 29, waar ze orakelt: Een vrouw, die zich niet geeft met vreugd is lucht.

Professor Bulder is gewoonweg flauw en langdradig: de komiekerige knecht heet Manus. Dat typeert op zich zelf al.

In den dialoog is een slappe Shaw-imitatie nu en dan aanwijsbaar, maar het is een Shaw in een homoeopathische verdunning. Bovendien krijgen we door die imitatie -poging den stelligen indruk, dat de heer Vissel de quinteessence van de Shawsche dialogiek niet al te best begrijpt en meent dat het hem enkel zit in de brutale hatelijkheden, die de Shawsche figuren elkaar soms plegen toe te voegen.

Zie hier b.v. een dialoogje van de soort, waarop ik mijn meening grondt.

Het gaat tusschen den professor en de vrouw die hem een ,,val" bereidt. Prof. Bulder: Wat bet eekent dat? Agenita: Dat beteekent, dat men in kleine intieme gezelschappen liever niet met U te doen heeft. U staat alléén in de wereld!

Prof. Bulder: Wat permitteert u zich wel, om zoo te spreken tegen den beroemdsten professor van

Agenita: Och, beroemd, beroemd?! U weet even goed als ik wat dat beteekent. De menschen moeten nu eenmaal iemand hebben, om zich mee te amuseeren, om 'n beetje te verwennen. Beroemdheid is een mode-artikel, waarvan het ongeluk is, dat menschen er de dupe van worden.

Prof. Bulder: De dupe, zegt u? Agenita: Ik kan het onmogelijk anders zeggen, omdat de mensch in dat geval gelijk gesteld wordt met een geliefd renpaard, een nieuw model hoed, of zoo'n reuzenklein auto'tje, dat de mensch zich vierdubbel moet vouwen, om niet over den grond te slierten. Bah, ik verafschuw alle beroemdheid en alle beroemde menschen. Vandaag heeft het publiek lust een zanger te aanbidden, morgen een bokser, overmorgen een violist, dan — ja zelfs een professor in de gyncecologie moet er aan gelooven. Ik begrijp niet dat een ernstig mensch zich leent voor die bespottelijke comedie. — Prof. Bulder: U weet niet, waarover u spreekt.

Inderdaad, dat dachten wij ook al, maar nietwaar, dat is heelemaal mis, dat is geen tooneeltaal; er bestaat geen enkele acteur of actrice die van zoo'n stooterige claus iets kan

maken, en bovendien, — wat een leuterpraat!

In ,,De man der Toekomst" gaat het tusschen Barras, Napoleon en Josephine.

De auteur heeft geen dier figuren ook maar bij benadering aangekund; het resultaat is dan ook een futloos geklets en een alleronwaarschijnlijkste intrige. We achten het niet eens de moeite waard dit met voorbeelden aan te toonen.

Alles bijeengenomen: onrijp werk.

„Onrijp werk", is zeker wel de laatste quahficatie, die we op het jongste drama van mevrouw Simons—Mees zouden durven toepassen, al gelooven wij daarom niet, dat dit tooneelstuk tot het beste deel van het oeuvre dezer gevierde schrijfster behoort.

Het is een drama uit den Hugenotentijd, blijkbaar opzettelijk in ietwat ouderwetschen stijl gebouwd, in 4 afdeelingen en 16 tafereelen en het heeft de bedoeling, om, zooals de schrijfster m een voorwoord zegt: „in het beeld van een historisch tijdperk te doen zien de werking van een zoo machtige drijfkracht als het geloof in een verscheidenheid van menschen en karakters".

Of het stuk het ,,doen" zal, dient te worden afgewacht: bij de lezing heeft het ons maar matig geboeid, het is een beetje langdradig, een beetje huilerig, er worden veel psalmen in gezongen, er wordt druk in gepreekt en gebeden, maar een eventueele mise en scène geeft gelegenheid er ten deele — door die zestien tafereelen — ook een „kijkstuk" van te maken en het is wel mogelijk, zelfs waarschijnlijk, dat meerdere tooneelen na „aangekleed" te zijn, beter reliëf krijgen.

Een ernstiger bezwaar is, dat we het stuk veel te eenzijdig, te be-vooroordeeld achten. Al die Hugenoten van beiderlei kunne zijn, zonder uitzondering, brave lieden en geloofshelden, terwijl de tegenpartij uitsluitend vertegenwoordigd wordt door laffe wreedaards.

Dat is een voorstelling van zaken, die de betrouwbaarheid van het „beeld van een historisch tijdperk" waarin het stuk speelt, op bedenkelijke wijze schaadt.

De anti-Hugenoten waren toch óók te goeder trouw en de kettervervolgers waren evenzeer overtuigd met die vervolging een plaatsje in den hemel te verdienen als de ketters zeiven door hun ketterij.

_ Maar mevrouw Simons—Mees laat in het vierde tafereel zelfs een engel, linea recta, namens onzen lieven Heer gezonden, partij kiezen voor de Hugenoten, dus tegen Rome.

Dat is ons nu toch een beetje te machtig; we stellen ons onzen lieven Heer en de engelen maar liever voor als staande boven de kerkelijke ruzies, zonder éénzijdige inclinaties naar rechts of links.

Een dergelijke eenzijdigheid hinderde ons ook in het laatste tafereel, waar een „hooge