is toegevoegd aan uw favorieten.

Nieuwe bijdragen ter bevordering van het onderwijs en de opvoeding, voornamelijk met betrekking tot de lagere scholen in het Koningrijk der Nederlanden, voor den jare ..., 1871 [volgno 7]

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Mengelwerk,

vaardigheid in 't werktuigelijke der kunst, ook daarmede een groote schrede hebben gedaan op 't uitgebreide gebied, dat zij omvat? Niemand voorzeker, die met eenige zaakkennis weet te oordeelen, kan zoodanige meening koesteren. Onkunde alleen is het, die den waan doet geboren worden, dat bij eenige vlugheid in de eerste beginselen, het doel reeds bereikt zij, dat men zich bij het leeren lezen heeft voor te stellen, en van daar ook het bekrompen begrip van sommigen, dat een kind, 't welk een eenvoudig schoolboek vrij dragelijk kan lezen, ook de bekwaamheid zou bezitten tot het lezen van hetgeen een goed ontwikkeld en geoefend lezer vorderd. Evenzeer als de ontwikkeling des verstands, de vorming van den geest en van het gemoed door 't lezen wordt bevordert, behoort wederkeerig de ontwikkeling der geestvermogens de oefening in de kunst van lezen te ondersteunen en eenigermate mogelijk te maken. De onmisbare vereischten, tot volkomen goed lezen behoorende, kunnen alleen worden verkregen door een onderricht, dat bij een gepaste keuze van stof, aan de zijde des leerlings veelvuldige aanwijzingen en opmerkingen tot behoefte doet zijn, en van den kant des onderwijzers aanhoudende zorg en ernst vordert om wel te slagen en daartoe is een korte leertijd onvermogend. De eigene zelfoefening des leerlings kan daar alleen met vrucht worden aangewend, waar deze in staat is te beoordeelen, wat hij leest; wanneer hij smaak voor nuttige en leerrijke lectuur heeft erlangd; wanneer zijn gevoel voor het schoone en verhevene is opgewekt en zich werkzaam begint te vertoonen. Maar op welken trap van vordering is zulks tot werkelijkheid geworden ? Zeker niet op dien lagen trap als duizenden pas hebben beklommen, wanneer zij het gewone schoolonderwijs moeten vaarwel zeggen. Onder hen, die de school verlaten, zijn gewis verre de meesten nog zeer onvolkomen lezers, en bij hoe velen blijft het misschien bij