is toegevoegd aan uw favorieten.

Nieuwe bijdragen ter bevordering van het onderwijs en de opvoeding, voornamelijk met betrekking tot de lagere scholen in het Koningrijk der Nederlanden, voor den jare ..., 1871 [volgno 7]

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Mengelwerk.

Ter beantwoording van een en ander strekke thans een korte uiteenzetting van 't wezenlijke nut, dat ons 't lezen niet alleen kan verschaffen, maar ook werkelijk zal aanbrengen , als er een verstandig gebruik van gemaakt wordt.

III. Als men de aandacht vestigt op het oogmerk, waarmede velen lezen , dan zal men zeer veel onderscheid opmerken. Zeker luimig schrijver zegt ergens: „ Wij vinden zeer vele eigenlijke leesmachines en weinig denkende lezers; te meer nog dewijl een groot getal boeken van dien aard is, dat men niets meer noodig heeft, dan het dubbeltje voor de leesbibliotheek, de bril of het oog, en de twee voorste vingers der rechterhand, om 't blad om te slaan. Hoe vele soorten van lezers er te vinden zijn , ligt buiten mijn bereik op te geven, de volgende vallen zeker 't meest in 't oog: lezers uit mode, uit verveling, uit gewoonte, uit behoefte , zoo als boekhandelaars , recensenten , correctors ; uit praalzucht, uit verliefdheid, uit ouderdom en eenige uit weetgierigheid." (1). Welke der opgegeven oorzaken, die tot lezen aansporen, de meest loffelijke mag heeten, valt gemakkeljjk in 't oog. Welke waardij toch kan zulk lezen hebben, waarbij noch vermeerdering van wezenlijke kennis-, noch vorming van geest en gemoed 't gevolg kunnen zijn? Wie slechts leest om te lezen, of om eene ijdele nieuwsgierigheid te bevredigen, of uit louter zucht tot pralen, ten einde van zijn boekenkennis een hoog denkbeeld in te boezemen, of uit welke andere onedele drijfveer; voor hem is die edele kunst, waarvan wij spreken, grootendeels onvruchtbaar, 't Wezenlijk voordeel, dat het lezen den naar kennis dorstende verschaft, gaat voor hen verloren, en de meeste uren, door dezulken aan 't lezen toegewijd, zouden zij aan

(1) Lublink Weddik, Ged. en Beelden, blz. 142.