is toegevoegd aan uw favorieten.

Nieuwe bijdragen ter bevordering van het onderwijs en de opvoeding, voornamelijk met betrekking tot de lagere scholen in het Koningrijk der Nederlanden, voor den jare ..., 1871 [volgno 10]

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Schoohrieuws.

Vergadering vau Vrijdag 16 Junij 1871.

Tegenwoordig de Inspecteurs der onderscheidene provinciën.

1. De notulen van het verhandelde in de vorige vergade» ring worden gelezen en goedgekeurd.

2. De vraag wordt gesteld, of Gedeputeerde Staten de schorsing van een hoofd- of hulponderwijzer kunnen uitspreken , indien burgemeester en wethouders nalatig of weigerachtig zijn daartoe over te gaan.

De vergadering vermeent hierop geen in alle opzigten toestemmend antwoord te kunnen geven.

Volgens het derde lid van art. 22 der wet op het lager onderwijs kunnen de hoofd- en hulponderwijzers door burgemeester en wethouders , den schoolopziener gehoord , worden geschorst, die daarvan dan zoo spoedig mogelijk aan den raad rekenschap geven.

Blijkens het vijfde lid van dat artikel kan de schorsing door Gedeputeerde Staten worden uitgesproken , indien die naar inzien der plaatselijke schoolcommissie of des districtsschoolopzieners noodig en de gemeenteraad nalatig of weigerachtig is daartoe over te gaan.

Hier is dus geen sprake van nalatig of weigerachtig zijn van burgemeester en wethouders maar van den raad.

De vergadering helt tot het gevoelen over door den heer Blatjpot ter Cate in zijne „wet op het lager onderwijs" uitgedrukt. Zij gelooft met hem, dat hier eene fout in de wet is blijven schuilen en dat voor het woord gemeenteraad in lid 5 zou behooren gelezen te 'worden burgemeester en wethouders of de gemeenteraad. Werd alleen de raad bedoeld, dan zou de schorsing niet in aanmerking komen, omdat de raad hiertoe niet besluit; werden alleen burgemeester: en wethouders bedoeld, dan bleef het ontslag op eigen verzoek buiten aanmerking. In het laatste geval kan de ge»