is toegevoegd aan uw favorieten.

Nieuwe bijdragen ter bevordering van het onderwijs en de opvoeding, voornamelijk met betrekking tot de lagere scholen in het Koningrijk der Nederlanden, voor den jare ..., 1834 [volgno 5]

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

416 Mengelwerk.

Laat ons nn nagaan, hoe het gelegen is met gelijktijdige, óf latere geschiedschrijvers. Tot de eerste behoort le petit. Deze ontleent zijn verhaal van van meteren en maakt geenje zwarigheid, om de woorden van dezen (een fan 'l schipvolck) te vertalen: « un de ses k gens." Deze le petit was tijdgenoot van van - meteren en de lange. Laat ons nu de onderstelling aannemen, dat hij eenige reden had gevonden, om te denken, dat de lange Zelf de daad had verrigt; kon hij dan in dezer voege schrijven ? Voorzeker neen! want, door stellig te zeggen, dat het stuk is uitgevoerd door een van zijn volk, ontkent hij tevens, dat het is verrigt door de lange. Le petit moet er dus niets van hebben geweten , dat het feit aan de lange werd toegeschreven; waarom hij dan ook geene zwarigheid vindt, om het aan een' ander' toe te kennen, ja, zijnen voorganger van meteren zoo verstaat, als die ook. niet beter had geweten, dan dat het niet door de lange, maar door een' ander' was verrigt.

Nu doet zich het eerst aan ons voor hooft. En wat verhaalt ons deze? Dat de lange het vuur in het buskruid stak? Neen; « maar « dat een van de synen , als hij geen ander « uitkoomst zagt, den brandt in de kruydt« kaamer stak."

Thans volgt, in tijdorde , het verhaal, voorkomende bij a. tïiysius, (Hist. Belgarum navalis. Lugd. Bat. 1657. Cap. XIV.) die, na den benarden toestand van de lAnge's schip en de hevigheid van den strijd beschreven te hebben, besluit met te zeggen: « toen de « onzen (Nostri) zagen, dat zij door de over-

« magt